Wetenschap - 23 februari 1995

Liberalisering landbouw voorwaarde voor toetreding Oost-Europa

Liberalisering landbouw voorwaarde voor toetreding Oost-Europa

Garantieprijzen moeten plaatsmaken voor inkomenssteun

Zonder gemeenschappelijk landbouwbeleid is de integratie van Midden- en Oosteuropese landen in de Europese Unie niet mogelijk. Maar de verschillen in de agrarische sector zijn levensgroot en maken de toetreding van deze staten tot een uiterst ingewikkeld karwei. Daarom verkenden vier Europese deskundigen in opdracht van Europees commissaris Brittain het beleidsmatige mijnenveld.


De landbouw is het voornaamste knelpunt bij de toetreding van de zes Midden en Oost-Europese landen tot de Europese Unie rond het jaar 2005. Critici stellen dat het Gemeenschappelijk landbouwbeleid, dat boeren binnen de Unie ondersteunt en beschermt, nu al onbetaalbaar is. En met de uitbreiding van de EU-15 met Polen, Hongarije, Tsjechie, Slowakije, Roemenie en Bulgarije (landen waar de landbouw een belangrijke plaats inneemt) zouden de benodigde kosten voor de interventiepolitiek, exportsubsidies en administratie helemaal de pan uit rijzen. Dus klinkt de roep voor hervorming van het landbouwbeleid steeds luider.

Het wrange is echter dat regeringen van vooral Visegradlanden (Polen, Hongarije, Tsjechie en Slowakije) - los van tendensen in de Europese Unie - steeds meer kiezen voor een ondersteunend landbouwbeleid. Zo proberen ze met garantieprijzen, die weliswaar ver beneden het niveau van de EU liggen, de landbouw uit het slop te halen. Sinds de grote politieke omwentelingen in 1989 is deze sector namelijk in een pijnlijk overgangsproces beland: zo viel de Russische afzetmarkt weg en maken grootschalige staatsbedrijven moeizaam plaats voor kleine prive-bedrijven en cooperaties.

Deze achtergrond maakt toetreding tot de Europese Unie uiterst complex en dit vormde voor Europees Commissaris Brittain van Buitenlandse handel genoeg reden om de discussie over nieuwe landbouwhervormingen binnen de Unie aan te zwengelen. Daarom gaf hij vier professoren uit Groot-Brittannie, Italie, Frankrijk en Duitsland de opdracht voor een studie naar mogelijke beleidsveranderingen voor de Oosteuropese landen en de Europese Unie. Zij moesten nagaan hoe de integratie van de agrarische sectoren kon worden vergemakkelijkt. Begin dit jaar verscheen een viertal rapporten.

De tabellen zijn ontleend aan de rapporten, die in opdracht van EU-commissaris Brittain waren samengesteld. De nauwkeurigheid van de gegevens laat volgens de schrijvers soms te wensen over, dat er een immens verschil bestaat tussen Oost- en Westeuropese agrarische sector blijkt niettemin overduidelijk.

Fraude

Strikt vasthouden aan het huidige gemeenschappelijke landbouwbeleid voor een toekomstige EU-21, brengt tal van negatieve aspecten met zich mee, schrijft de Italiaan Secondo Tarditi in zijn rapport. Dit bevordert een inefficient gebruik van het landbouwareaal: veel grond moet braak blijven liggen teneinde de produktie te beperken en de prijzen hoog te houden. Dit gaat bovendien gepaard met gigantisch veel bureaucratie en hoge administratiekosten, waarschuwt Tarditi.

Professor Allan Buckwell van het Wye-College uit Groot-Brittannie is evenmin voorstander van voortzetting van het huidige gemeenschappelijke landbouwbeleid. Dit is alleen al vanwege de GATT-afspraken onmogelijk, meent hij. Het aanbod gesubsidieerde exportprodukten zal bij integratie enorm stijgen, terwijl binnen de GATT juist is afgesproken om gesubsidieerde exporten af te bouwen. Bovendien, argumenteert de Brit, lok je met hoge prijzen, voor produkten die eerst veel goedkoper waren, fraude uit. Dus moet je in Oost Europa een gigantisch controle apparaat in werking stellen. Dat leidt tot meer bureaucratie en bevriezing van de landbouwproduktie, wat voor landen in ontwikkeling juist niet best is. Ook zorgt het voor een onvermijdelijke stijging van consumentenprijzen, hetgeen ongunstig is voor landen waar de inwoners een groot deel van hun inkomen aan voedsel besteden.

Een wereldmarkt-prijzen-systeem kan volgens Buckwell al deze problemen, inclusief het naleven van de GATT-akkoorden, oplossen. Maar hiervoor verwacht hij geen steun binnen de EU-15. Daarom pleit hij voor vervanging van prijsondersteuning door inkomenssteun. Over de hoogte van deze steun moet elke nationale overheid afzonderlijk beslissen, omdat de inkomens per land sterk verschillen. Verder kan Oost-Europa volgens Buckwell niet veel meer doen dan zo efficient mogelijk produceren met zo weinig mogelijk overheidsingrijpen.

Concurrentievervalsing

De EU moet op haar beurt, als voorbereiding op de integratie, haar gesubsidieerde landbouwexporten naar Midden- en Oost-Europa stoppen. Hiermee kan de Oosteuropese landbouw niet concurreren, waardoor ze in nog grotere problemen verzeild raakt. Daarnaast moeten importquota's, die vooruitlopend op integratie reeds zijn opgenomen in bestaande handelsakkkoorden, direct worden toegekend aan Oosteuropese landen en niet langer aan Westerse importeurs. Die laatste groep strijkt nu namelijk de winst op, doordat ze goedkope Oosteuropese produkten opkoopt en vervolgens afzet tegen hogere Westeuropese prijzen.

De uit Duitsland afkomstige Stefan Tangermann, van het Institute of agricultural economics, University of Gottingen, voegt toe dat het met de gesubsidieerde exporten naar derde landen als de Sovjet-Unie, eveneens afgelopen moet zijn. Dit was voorheen een belangrijke exportmarkt van Midden-Europa en ook daar is valse concurrentie niet langer gewenst. Daarnaast pleit hij voor meer technische en financiele hulp voor de Oost-Europese landbouw, en een verruiming van de importmogelijkheden voor landbouwprodukten vanuit het Oosten. Tenslotte waarschuwt hij de Oosteuropese landen, net als Buckwell, om niet de weg op te gaan die leidt tot meer ondersteuning van de landbouw. Opvoering van de prijzen naar het huidige EU-niveau gaat de Visegrad landen, volgens Tangermann, pakweg negen miljard ecu kosten, hetgeen ze domweg niet kunnen opbrengen. En daar komt bij dat het nog verre van duidelijk is hoe hoog de prijzen rond het jaar 2005 zullen uitvallen, het tijdstip van integratie.

Signaal

Zowel Tangermann, Buckwell als ook de Fransman Mahe, van Ecole National Superieure Agronomique de Rennes, schrijven dat bij integratie van de zes landen en het op peil houden van het huidige prijsniveau, de kosten van het landbouwbeleid ongeveer twintig miljard ecu hoger zullen uitvallen, een toename van meer dan eenderde van de totale landbouwbegroting.

Unaniem pleiten de vier deskundigen voor vermindering van directe betalingen aan boeren. De prijsondersteuning moet in ieder geval sterk worden gereduceerd, maar nog liever afgeschaft. Hiervoor moet een inkomensondersteuning in de plaats komen, waarvoor de nationale lidstaten zelf verantwoordelijk zijn. Mahe benadrukt tenslotte het belang van een snel en duidelijk signaal over hoe het beleid er begin volgende eeuw uit zal zien, zodat de landen in Midden en Oost-Europa daarop in kunnen spelen. De kosten van integratie zullen namelijk toenemen, naarmate het proces langer duurt.

De bal ligt nu weer bij EU-commissaris Brittain. Deze heeft al met al een flinke hoeveelheid liberaal vuurwerk ontvangen en kan het komende jaar daarmee naar hartelust de Europese Commissie bestoken.

Re:ageer