Wetenschap - 6 maart 1997

Landbouw-Economisch Instituut denkt mee met opdrachtgevers

Landbouw-Economisch Instituut denkt mee met opdrachtgevers

Landbouw-Economisch Instituut denkt mee met opdrachtgevers
Gezegd wordt dat het LEI niet onafhankelijk is
Prof. dr Vinus Zachariasse is vol vertrouwen over de toekomst van het Landbouw-Economisch Instituut in Den Haag. Het aantal vraagstukken in de landbouw neemt niet af. Er is grote onzekerheid, en problemen zullen er altijd blijven. En wie kan die problemen beter analyseren dan het LEI, het instituut dat in opdracht van het ministerie van LNV gegevens verzamelt van primaire bedrijven? Met die gegevens zit het LEI bovenop een koffertje vol interessante informatie
Trots is Zachariasse op het nieuwe onderkomen van het Landbouw-Economisch Instituut. Toen hij in 1991 werd aangesteld als directeur van het DLO-instituut stond het vinden van een nieuw gebouw boven aan zijn lijstje. Een mooi gebouw is belangrijk, je straalt iets uit en kunt jezelf er mee verkopen. Ook is het veel makkelijker om nieuwe mensen aan te trekken. Veel sollicitanten die het oude gebouw aan de Conradkade betraden dachten: als de organisatie net zo is als het gebouw, dan wil ik hier niet werken. Het nieuwe gebouw aan de Burgemeester Patijnlaan functioneert naar behoren, alleen is het inmiddels al weer te klein. In de afgelopen twee jaar zijn er veertig mensen bijgekomen, waardoor het totale personeelsbestand nu rond de driehonderd ligt
Zachariasse heeft zich in de zes jaar dat hij nu directeur is niet alleen ingezet voor de uiterlijke uitstraling van het LEI. Ook de interne organisatie is onder zijn bewind danig veranderd. Vroeger hoefde een directeur zich geen zorgen te maken om geld; alles ging om de prestatie. Iedereen kon onderzoeken wat hij wilde en daar zo lang over doen als hem goed dunkte. Tijdens het bewind-De Veer is het beleid al enigszins omgebogen. Nu Zachariasse aan het roer staat, zijn geld en markt, naast kwaliteit, de belangrijkste factoren waarop de koers wordt uitgezet
In 1991 moest het LEI voor het eerst de markt op. Het gat dat ontstond door een forse bezuiniging van drie miljoen gulden moest worden gedicht. We zijn dat eerste jaar niet kieskeurig geweest en hebben gepakt wat we pakken konden. Het lukte om maar liefst vier miljoen aan betaalde opdrachten binnen te halen. Inmiddels is dat uitgebouwd en ligt dat bedrag jaarlijks rond de elf a twaalf miljoen.
Projecttijd
Om die resultaten te bereiken en in de toekomst verder te groeien, zijn de touwtjes strak aangetrokken. Afdelingen zijn gebonden aan een inspanningsverplichting. Vier keer per jaar worden de afdelingsbudgetten getoetst. Bij slechte resultaten volgen financiele maatregelen
Ook overschrijding van de projecttijd, voorheen een zwak punt van het LEI, is aan banden gelegd. We konden niet goed plannen of we werkten te langzaam. Gevolg was een enorme overschrijding van de projecttijd, wat veel geld kostte.
Het beleid van Zachariasse is gebaseerd op drie cruciale succesfactoren: innovatie, markt- en klantgerichtheid, en beheersing van onderzoeksprojecten. De drie factoren zijn vertaald in eisen waar het personeel aan moet voldoen en die tijdens functioneringsgesprekken in een check list ter sprake komen. Verplicht volgt het personeel interne trainingen. Inmiddels hebben alle werknemers de cursus projectmatig werken doorlopen. Daardoor is de overschrijding van de projecttijd teruggelopen van dertig naar vijf procent. Nu poogt Zachariasse de creativiteit onder werknemers op te schroeven door een cursus lateraal denken. In die cursus leren onderzoekers vanuit verschillen invalshoeken naar een probleem te kijken. Tijdens het bewind van Zachariasse is de werkdruk aanzienlijk verhoogd. Maar ook de betrokkenheid van de afnemers bij onderzoeksresultaten is toegenomen. Het geeft een enorme kick om iets te doen waar anderen op zitten te wachten.
Doel van het LEI is het leveren van landbouweconomische informatie voor beleid, bedrijf en markt. Van oudsher heeft het instituut veel expertise opgebouwd over het primaire boerenbedrijf. In opdracht van de overheid is een bedrijveninformatienet opgebouwd, dat voor het LEI van groot strategisch belang is. Jaarlijks moet de Nederlandse overheid over 1500 bedrijven rapporteren aan Brussel. Het LEI verzamelt de informatie via een steekproef en levert de gegevens aan het Europees boekhoudnet. Daaruit krijgt het instituut vervolgens gegevens terug van zestigduizend Europese bedrijven
Deze dataset verschaft unieke mogelijkheden voor onderzoek en rapportages over thema's binnen en buiten het primaire bedrijf. Bedrijfsuitkomsten, management van bedrijven, concurrentiekracht, milieuvraagstukken en plattelandsontwikkeling zijn centrale thema's voor het LEI
Het bedrijveninformatienet levert delicate gegevens waar we zorgvuldig mee omgaan. Bedrijven verstrekken die gegevens in het volste vertrouwen. Met de Landbouwuniversiteit is de afspraak gemaakt dat we gegevens beschikbaar stellen voor promotieonderzoek, onder de voorwaarde dat het LEI zo mogelijk bij dat onderzoek betrokken wordt.
Willen instellingen met onze gegevens opdrachten voor derden uitvoeren, dan werken we niet mee. Die opdrachtgevers moeten ze dan maar bij ons langssturen. We willen behalve de sores van het verzamelen van de gegevens ook de revenuen in huis halen.
Vraagtekens
Van het onderzoeksbudget, in totaal zo'n 35 miljoen gulden, komt zeventig procent van het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij. Zestien miljoen wordt besteed aan de wettelijke en dienstverlenende taken die het LEI voor het ministerie uitvoert en vijf miljoen is bestemd voor programmafinanciering. De rest van het geld komt binnen via de Europese Unie, andere ministeries, productschappen, agrarisch bedrijfsleven en landbouworganisaties
Zachariasse bevestigt dat opdrachtgevers veelal informatie willen binnenhalen waarmee ze in politieke debatten bepaalde posities kunnen innemen. We doen wel eens onderzoek voor een opdrachtgever, waarna anderen vraagtekens zetten bij de resultaten. Je hoort dan vaak dat het LEI bepaalde zaken buiten beschouwing heeft gelaten en met de studie geen volledig beeld van de werkelijkheid geeft. Gezegd wordt dan dat het LEI niet onafhankelijk is. Maar alles meeberekenen kan natuurlijk niet meer in deze tijd. We kunnen geen opties meenemen waar de opdrachtgever niet om heeft gevraagd. We rekenen op basis van door de opdrachtgevers gegeven uitgangspunten, waarbij we meehelpen in het analyseren van het probleem.
Als andere partijen de uitkomst van een studie niet bevalt, kunnen ook zij met een opdracht naar het LEI stappen. Dat hiermee ongelijkheid wordt gecreeerd omdat minder draagkrachtige organisaties beperktere mogelijkheden hebben tot het geven van specifieke opdrachten, is volgens de LEI-directeur een oplosbaar probleem. Ze moeten dan maar met ons komen praten, dan proberen we daar een mouw aan te passen.
Het LEI weigert wel eens een opdracht, al is het niet bijzonder vaak. Het gaat dan om organisaties die met de onderzoeksresultaten een positie in willen nemen die de Nederlandse land- en tuinbouw kan benadelen. Zachariasse wordt voorzichtig als hij dit onderwerp ter sprake brengt. We kunnen ons niet laten misbruiken door organisaties die de Nederlandse land- en tuinbouw willen schaden. Meer wil hij er niet over zeggen
Toch is het volgens Zachariasse niet zo dat het LEI louter positieve berichten over de Nederlandse land- en tuinbouw naar buiten brengt. We kunnen niet steeds positief rapporteren. Voor negatieve vooruitzichten, zoals bijvoorbeeld een daling van inkomens in de agrarische sector, lopen we niet weg.
Productkolom
Wel stoort de econoom zich aan het feit dat kranten naar aanleiding van afgeronde projecten vaak schrijven in de trant van het LEI zegt .... Het is niet het LEI dat iets zegt; we zeggen dat namens de opdrachtgever.
Kenmerk van het instituut is dat het werk voornamelijk bestaat uit vele kleine opdrachten. Het LEI probeert via het relatief nieuwe onderzoekprogramma Industrie en handel onderzoeken voor de langere termijn te regelen. In dit programma staat niet langer het primaire bedrijf centraal maar de hele keten in een productkolom
Door het verknipte karakter van het LEI-onderzoek is het moeilijk het fundamenteel wetenschappelijk niveau van het instituut op peil te houden. Met promotieonderzoeken, in samenwerking met universiteiten, denkt Zachariasse het wetenschappelijke niveau van het instituut overeind te kunnen houden. Research and development kan geen vorm krijgen in de kleine projectjes. Dat gebeurt in sommige proefschriften. Een onderzoek naar de financiele continuiteit van land- en tuinbouwbedrijven leverde een model op, waarmee vervolgens veel onderzoek is binnengehaald.
Zachariasse vertelt dat jaarlijks 180 miljoen gulden van LNV naar DLO stroomt. Vijftien procent daarvan gaat binnen de totale DLO-organisatie naar strategische expertiseontwikkeling. Van die 27 miljoen gulden komt veertig procent (10,8 miljoen) ten goede aan thema's die volgens de centrale DLO-directie van belang zijn voor de organisatie en voor kennisontwikkeling door gezamenlijke instituten, om de grijze gebieden te dekken. De overige zestig procent (16,2 miljoen) wordt naar rato van omzet verdeeld over de verschillende DLO-instituten. Als LEI proberen we met dat geld ons voordeel te doen. Onder andere door de kerncompetentie van ons instituut, op het gebied van dataverwerking, op te krikken met behulp van kennissystemen (modellen die werken met als/dan-redenaties, red.).
Verder heeft het LEI zich voorgenomen de strategische allianties in binnen- en buitenland te versterken. Problemen worden steeds complexer en dus is meer samenwerking vereist. Internationalisering is daarbij belangrijk op Europees en mondiaal niveau. We moeten dat realiseren, omdat onze omgeving, te weten agrarische ketens, ook internationaliseert. Ook willen we ons meer bezig gaan houden met gedrag en beleving van consumenten en producenten.
Onderwijs
Over de toekomst van Kenniscentrum Wageningen is Zachariasse, tevens deeltijd-hoogleraar bij de LUW-vakgroep Agrarische bedrijfseconomie, positief. Als het geheel goed wordt aangestuurd en ontwikkeld is het mogelijk om de goede capaciteiten op de juiste functies te krijgen. Nu is dat niet altijd mogelijk. Vooral voor onderwijs is het interessant, omdat het reservoir aan onderzoekers dan veel breder is. Met name het inhuren van onderzoekers van DLO-instituten die zeer interessant onderzoek verrichten, is voor het onderwijs in Wageningen een verrijking. Dat zie ik als het belangrijkste pre van het geheel.
Natuurlijk blijft het LEI, ongeacht de beoogde fusie, gestationeerd in Den Haag. De afstand tot Wageningen is geen probleem, we kennen de mensen daar. Voor onze contacten met het ministerie is de fysieke afstand wel bepalend. We wonen, werken en recreeren met de mensen van het ministerie. Daardoor zijn we beter op de hoogte van wat er op het departement speelt. En dat is belangrijk voor een instituut als het LEI. Wij zullen altijd vooruit moeten lopen op landbouwkundige discussies. Want als wij nog moeten beginnen met beleidsondersteunend onderzoek wanneer die discussies in volle gang zijn, dan zijn we veel te laat en kunnen we weinig meer bijdragen.

Re:ageer