Wetenschap - 2 april 1998

LUW richt zich te weinig op Oost-Europa

LUW richt zich te weinig op Oost-Europa

LUW richt zich te weinig op Oost-Europa
Onderzoeker waarschuwt voor snelle consultants
Uitgestrekte landerijen en vrouwen die met een hoofddoekje op het land bewerken. Veel studenten hebben het idee dat Oost-Europa saai is. Dat denkt tenminste Ed Dumrese van het IK, het Alternatief Kollektief voor Onderwijs en Ontwikkeling. Het IK hoopte in maart met de lezingencyclus The Wild East duidelijk te maken dat dat beeld onterecht is. Het collectief vindt dat de Landbouwuniversiteit zich meer moet richten op Oost-Europa. De vraag is echter welke rol de universiteit in het voormalige Oostblok kan vervullen
Alleen al om veiligheidsredenen is het belangrijk dat Nederland zich meer bezighoudt met Oost-Europa, vindt Ed Dumrese. Sommige ontwikkelingen in het voormalige Oostblok zijn niet ongevaarlijk. In de voormalige Sovjet-staten ontstaan naast elkaar grootgrondbezit en kleinschalige, op overleving gerichte landbouw. Veel stedelingen telen op een lapje grond buiten de stad hun eigen voedsel en werkloos geworden chauffeurs proberen als landbouwer een nieuw bestaan op te bouwen. Daarnaast nemen moderne managers met zaktelefoons voormalige collectieve boerderijen over. Zo ontstaat er een nieuwe groep grootgrondbezitters. Niet zelden hebben deze managers hun positie te danken aan hun goede relaties met de politieke machthebbers. Deze vorm van grootgrondbezit is een mogelijke voedingsbodem voor ontevredenheid en fascisme, vreest Dumrese
Dan zijn er nog morele argumenten waarom het wilde oosten steun verdient. Sommige voormalig communistische landen zijn in feite ontwikkelingslanden, stelt dr Max Spoor van het Institute of Social Studies (ISS). Spoor probeert contacten te leggen in het oosten, maar moet dat op eigen initiatief doen. Bij zijn collega's stuit hij op onbegrip. Dat zijn toch geen ontwikkelingslanden, krijgt hij te horen
De belangstelling van Nederlandse universiteiten voor Oost-Europa is onvoldoende, vindt het IK. Ook de Landbouwuniversiteit zou zich meer op Oost-Europa moeten richten; landbouw heeft immers een belangrijke plaats in de Oost-Europese economieen. Over de vraag waar het onderzoek zich dan op moet richten, waren de meningen van de sprekers tijdens de lezingencyclus echter verdeeld. Pleit de een voor ondersteuning door consultants, anderen willen eerst gedegen onderzoek naar de ontwikkelingen
Transitie
Drs Irene Frieling is weinig optimistisch over de mogelijkheden. Deze ontwikkelingseconoom werkt voor de LUW en de FAO aan een project in Albanie. Wij hebben onze mond vol over de economische transitie. In Albanie weten de mensen niet eens wat dat woord betekent. Ook bij de kreet landbouwontwikkeling heeft Frieling haar twijfels. Het valt volgens haar niet mee om in Albanie boeren te vinden Veel Albanezen zijn beledigd als je ze boer noemt. Sowieso is een groot deel van de Albanezen meer gespitst op mogelijkheden om te emigreren, dan op mogelijkheden om de inkomsten uit de landbouw te vergroten
Daarnaast zijn veel Albanezen lang niet zeker van het bezit van het lapje grond dat ze bewerken. Het gevaar is niet ondenkbeeldig dat familieleden van de precommunistische eigenaren de grond opeisen. En beiden hebben ze wapens, de nieuwe en de oude eigenaren. De term wild east moet je daarom in Albanie soms erg letterlijk nemen, vertelt Frieling. Hoop put Frieling uit het feit dat ze enkele Albanese onderzoekers heeft ontmoet die werkelijk wetenschappelijk geinteresseerd zijn in de hectische ontwikkelingen op het platteland en die daarover ook rapporten willen schrijven
Prof. dr Wim van Diepenbeek, senior consultant bij de Rabobank en bijzonder hoogleraar Cooperatieve ondernemingen in Maastricht, meent dat de Landbouwuniversiteit een speciaal instituut voor de ontwikkelingen in Oost-Europa moet oprichten. Dit instituut zou zich moeten bezighouden met de vraag hoe in Oost-Europa instituties kunnen worden opgericht die nodig zijn voor de ontwikkeling van prive-bedrijven. Kennis die in Nederland is opgedaan met bijvoorbeeld cooperaties is daarbij bruikbaar
Datsja's
Diepenbeek wil daarmee vooral mogelijkheden creeren voor commerciele boerderijen. Sociologiehoogleraar prof. dr Jan Douwe van der Ploeg wil zich echter op een andere groep richten. Hij ziet in Oost-Europa een nieuwe groep peasants ontstaan, boeren die landbouw bedrijven om in hun eigen behoeften te voorzien. Hij doelt onder andere op de duizenden stedelingen die in weekeinden en vakanties afreizen naar hun datsja's om hun eigen lapje grond te bewerken
De term peasants werd tot nu toe gebruikt voor boeren in ontwikkelingslanden. Van der Ploeg weet dat de opvatting dat ook in Oost-Europa een groep peasants ontstaat, omstreden is. Daarom moet eerst onderzocht worden of zo'n groep inderdaad in opkomst is. De tweede vraag is of rurale ontwikkeling vanuit deze groep moet plaatsvinden. Ik zou beide vragen met ja beantwoorden, stelt Van der Ploeg. Deze groep produceert nu niet voor rurale markten, maar dat zouden ze wel kunnen gaan doen. Trouwens, kan er sprake zijn van een democratische ontwikkeling als deze groep wordt genegeerd?
Dr ir Otto Hospes van de leerstoelgroep Agrarisch recht ziet wel wat in de oprichting van een Wagenings Oost-Europa-instituut. Dat instituut zou dan de functie van denktank moeten vervullen en wetenschappers van verschillende disciplines bij elkaar moeten brengen. Het zou in de ogen van Hospes een grote fout zijn als de LUW zich met te toegepaste vragen zou bezighouden. Daarvoor is er nog te veel onduidelijkheid over de ontwikkelingen. Hij vraagt zich af of in Oost-Europa niet dezelfde klassieke fouten worden gemaakt als in het verleden in de derde wereld. Toch weer de snelle consultant. Mislukkingen die geen mislukking mogen zijn. Dat zou echt een drama zijn.

Re:ageer