Wetenschap - 20 april 1995

LUW oppert fusie met hogescholen tijdens Onderwijsdebat

LUW oppert fusie met hogescholen tijdens Onderwijsdebat

Landbouw-kennisnetwerk moet worden versterkt

De LUW-bestuurders willen de Professional Master-opleidingen in een speciaal onderwijsinstituut met de agrarische hogescholen onderbrengen, teneinde onderlinge concurrentie uit te bannen. Dat bleek tijdens het Hoger Onderwijsdebat in Wageningen. Daarmee kiest de LUW voor een geheel andere richting dan de andere universiteiten en het ministerie van Onderwijs, dat juist een duidelijk onderscheid wil tussen universiteiten en hogescholen.


Circus Nuis trekt momenteel door Nederland, want het hoger onderwijs moet differentieren. Weg met die grote stromen studenten die allemaal hetzelfde studietype in dezelfde beschikbare tijd moeten afronden. Leve een kleurrijk pallet aan opleidingen, dat rekening houdt met de verschillende wensen uit het beroepenveld en uiteenlopende kwaliteiten en motivaties van de studenten. Geen eenheidsworst, maar a la carte, is het motto van het circus, dat officieel bekend staat als het Hoger Onderwijsdebat 1995.

Staatssecretaris Nuis moet de stelselherziening van het Nederlandse onderwijs vormgeven en heeft een serie debatten met bestuurders en docenten van universiteiten en hogescholen geprogrammeerd. Op 12 april deed het gezelschap Wageningen aan voor een sectordebat over het landbouwonderwijs. Speciale gast was Jozias van Aartsen, als vakminister verantwoordelijk voor het landbouwonderwijs. De LUW is niet zomaar een universiteit, benadrukte de minister, maar onderdeel van het landbouwkennissysteem: het complex van onderwijs, onderzoek, voorlichting en bedrijfsleven dat de Nederlandse landbouw in de vaart de volkeren moet opstuwen.

Daarmee was de toon voor de discussie gezet. De LUW en agrarische hogescholen moeten zich niet zozeer spiegelen aan andere universiteiten en hogescholen, maar vooral aan elkaar en aan de werkgevers die afgestudeerden opnemen.

In het landbouwonderwijs wordt samengewerkt; het is een club", stelde de voorzitter van het debat, oud-premier Barend Biesheuvel. De 75-jarige grand old man had grote schik tijdens de bijeenkomst: hij kende de opinies van de sprekers allang, omdat hij drie jaar geleden een commissie voorzat die de meerwaarde van het landbouwonderwijs moest onderzoeken, teneinde de overgang van LUW en agrarische hogescholen naar het ministerie van Onderwijs te voorkomen. Buiten het landbouwwereldje wordt namelijk sterk getwijfeld of de status aparte voor het landbouwonderwijs wel zo nodig is.

Afgrendeling

De overgang naar Onderwijs is onwenselijk, legde Biesheuvel uit, omdat de samenwerking tussen landbouwonderwijs, -onderzoek en -voorlichting dan bemoeilijkt wordt. Maar wat lees ik nu in het discussiestuk dat voor deze bijeenkomst is geschreven!? Hier staat: er zijn de afgelopen jaren middelpuntvliedende krachten waar te nemen tussen universiteit en hogescholen; er is sprake van afgrendeling en concurrentie. U schrijft ook dat deze processen het functioneren van het kennisnetwerk niet ten goede komen, terwijl het een noodzakelijke voorwaarde is ter legitimatie van het agrarisch onderwijs als afzonderlijke sector. Hoe zit dat?"

Tsja, toen moesten de bestuurders van LUW en hogescholen hun goede wil tonen. Expliciet kwamen de problemen niet voor het voetlicht, maar ze concentreren zich rond de start van de Professional Masters opleidingen die de LUW en agrarische hogescholen willen opzetten. De LUW wil goede hbo-studenten aftappen en deze verder opleiden als vervolg op de doorstroomprogramma's; de hogescholen willen zelf de vervolgopleiding verzorgen. Omdat de hogescholen wettelijk geen Master-titel mogen afgeven, is de zogenaamde U-bocht-constructie verzonnen: de hogeschool doet de opleiding, een Engelse universiteit verleent de Masters-titel. De hbo-afgestudeerden stromen niet meer door naar de universiteit en dat kost de LUW geld.

Om deze concurrentie in te dammen, stelde mr ing. J.M. Latijnhouwers van de stichting Samenwerking hoger agrarisch onderwijs (SHAO), moet een gemeenschappelijk onderwijsinstituut worden opgericht. Van LUW-zijde was directeur mr J.G. Verver het daarmee eens en prof. dr E.A. Huisman wilde nog een stap verder gaan: een fusie van LUW en hogescholen, waarbij de laatste per regio Bachelors-opleidingen verzorgen.

Fusie

De hogescholen leken niet happig op een onderwijsinstituut samen met de LUW. Eerst moeten de hogescholen de bevoegdheid krijgen om zelfstandig Master-titels te mogen afgeven, vond Larenstein-bestuurder ir M.J. Hijink, zodat de hogescholen een gelijkwaardige partner worden van de universiteit. Bij die gelijkwaardigheid hoorde ook dat de hogescholen voortaan geld voor onderzoek krijgen, vond Hijink. Als dat geregeld was, kon de differentiatie worden overgelaten aan de instellingen afzonderlijk; Haagse bemoeienis was niet nodig. Wat betreft de financiering van onderzoek werd hij snel uit de droom geholpen door minister Van Aartsen: nee, de hogescholen mogen samenwerken met onderzoekers van de LUW en DLO-instituten. De afslankingsoperatie van DLO rechtvaardigt niet het elders op de rails zetten van nieuwe instituten.

Maar ook het landbouwbedrijfsleven, in de persoon van drs J.W.E.M. Mares, voelt weinig voor een fusie van het onderwijs; hij opteerde toch liever voor een lichte samenwerkingsvariant. Latijnhouwers over dit compromis: Dat hebben we in 1988 al afgesproken en we discussieren er nog steeds over." En Verver: Bij een lichte variant zeggen we iets, bij een gezamenlijk instituut doen we iets."

Mares bleef beducht voor een fusie van opleidingen. De standsorganisaties, die nu zijn opgegaan in LTO (Land- en tuinbouworganisatie), hebben van oudsher een flinke vinger in de pap bij de regionale hogescholen (de katholieke in Den Bosch, de christelijke in Dronten, de liberale in Delft). Als de LUW zich met de hogescholen gaat bemoeien, neemt die invloed af.

De studenten van universiteit en hogescholen op hun beurt vreesden voor hun inspraak. Er stond immers ook in het discussiestuk dat de bestuurlijke structuur van de LUW onvoldoende mogelijkheden biedt om snel en adequaat in te kunnen springen op veranderende omstandigheden in de maatschappij" en dat de wettelijke structuur te weinig ruimte laat voor het op soepele, slagvaardige wijze kunnen opzetten van experimenten." LUW-student Peter Kampen, de belangrijkste criticaster in de universiteitsraad over de kwaliteit van de Professional Masters vorig jaar, wees erop dat zijn inhoudelijke kritiek niet met gejuich was ontvangen door de instellingen. Deze opmerking, een van de weinige van de aanwezige studenten die ten onder gingen in het bestuursgeweld, werd na het debat gereproduceerd door directeur-generaal ir R.J. de Wijkerslooth van het ministerie van Onderwijs. Hij had het pleidooi van Van Aartsen gehoord - bestuurlijke samenwerking tussen LUW, DLO-instituten en hoge
scholen intensiveren - en de daarop volgende huwelijksaanzoeken binnen de landbouwsector, welke in flagrante tegenspraak zijn met een beleidsuitgangspunt op het ministerie van Onderwijs: er moet een duidelijke scheiding zijn tussen universiteiten en hogescholen. Ritzen is daar heel duidelijk over", stelde De Wijkerslooth na de discussie, hij gelooft niet dat samenwerking tussen universiteiten en hogescholen leidt tot differentiatie en selectie."

Selectie

Op de LUW bestaat in het geheel geen behoefte aan selectie aan de poort. De universiteit wil differentiatie van studies - drie jaar Bachelors-opleiding, daarna Masters-opleidingen - teneinde nieuwe groepen studenten na het derde jaar te laten instromen en niet om een deel van de studenten te laten afvloeien, zo legde rector Karssen uit. Selectie in de hal, tijdens de propaedeuse, was prima maar gebeurt eigenlijk al: twintig procent van de propedanten valt af. Van de overblijvers haalt zo'n 94 procent de eindstreep. Wel moet de minister betalen als de universiteit een student verwijst naar een hogeschool, zo werd betoogd.

Daarmee wijkt de landbouwsector nogal af van de geluiden bij de andere universiteiten en hogescholen, waar men wil selecteren om de grote toestroom van studenten in te dammen. Prof. Huisman gelooft dat die grote toestroom al vanzelf minder wordt: het huidig leerlingaantal van de hoogste drie klassen vwo bedraagt zo'n honderdduizend, de laagste drie tellen er slechts vijftigduizend.

Maar in de huidige discussie is selectie direct gekoppeld aan onderwijskwaliteit. De slogan beter onderwijs voor minder geld kan volgens veel universiteiten alleen gerealiseerd worden als docenten en studenten op kwaliteit beoordeeld gaan worden.

In de landbouwsector wordt daarentegen de doorstroming van kennis en studenten benadrukt: houdt ze binnen het landbouwsysteem. De eindtermen van de opleidingen moeten dan wel samen met het bedrijfsleven worden vastgesteld, vond Mares, die het ontbreken van eindtermen bij de universiteit mild hekelde. Dat bracht collegelid mr H.M. van den Hoofdakker aan de microfoon met de aantekening dat de LUW natuurlijk een zelfstandige kritische functie heeft binnen het kennisnetwerk: onze afgestudeerden zijn misschien niet direct volledig inzetbaar, maar bieden op de lange termijn meer profijt.

Geen enkele maal voerde een LUW-spreker de academische vorming op als centrale criterium om al dan niet met de omgeving in zee te gaan. Ook werd door universiteit en hogescholen met geen woord gerept over de, toch talrijke, samenwerking met andere universiteiten en hogescholen, buiten het landbouwnetwerk. Aan het eind van de bijeenkomst concludeerde voorzitter Biesheuvel dat vrijuit en toekomstgericht was gepraat door de aanwezigen, maar een zuinig kijkende De Wijkerslooth van Onderwijs schudde weifelend zijn hoofd. Hij had zich verontrust zitten af te vragen, zo bleek in de wandelgangen, of hij in Wageningen nu werkelijk met een universiteit van doen had. En die hoge ambtelijke twijfel verontrust op haar beurt het college van bestuur.

Re:ageer