Wetenschap - 20 juni 1996

Komeet-Wieringa 4

Komeet-Wieringa 4

Dit stukje gaat niet zozeer over kometen, als wel over mensen.

Het WUB wilde een kort stukje over de komeet van afgelopen voorjaar en belde mij. Als de vragen diepgaand waren geweest, had ik doorverwezen naar een astronoom. Maar de gestelde vraag durfde ik te beantwoorden op basis van het klassieke komeetmodel van Whipple, onder andere gebaseerd op twee kometen die de aarde voldoende dicht naderen voor vrij redelijke waarnemingen: hoogstens een kilometer doorsnede, voos en gemakkelijk uiteen vallend, dichtheid 0,1. Als dat op de Veluwe valt, is dat een grote ramp voor Nederland, maar merken ze er in Frankrijk niet zo ontzettend veel van. Als dat in de Noordzee valt, geeft het een rampzalige vloedgolf aan de kusten van de Noordzee, daarbuiten geleidelijk minder, waarschijnlijk een tsunami. Op die basis sprak ik telefonisch over een lokale ramp; in de geofysica heet de grootte-orde duizend kilometer (een grote hurricane) nog lokaal.

Nu komt de heer Posthumus. Op basis van de journalistieke WUB-samenvatting construeert hij een komeet met honderdduizend maal meer energie dan mijn uitgangsmodel. Mag ie doen. Vervolgens schrijft hij echter een neerbuigend stukje, dat zo'n komeet Wieringa (de titel van het stukje is van hem, niet van de WUB-redactie) een wereldramp zal veroorzaken. Uit zijn stukje blijkt niet dat hij meer van sterrenkunde weet dan De Telegraaf vermeldt. Waar ik echter nijdig over word, is dat hij mij irrealistisch optimisme verwijt, maar daarbij niet het wetenschappelijk fatsoen heeft om na te gaan of zijn komeet-model het mijne ook is.

Dus probeer ik mijn reputatie te verdedigen door aan te tonen, dat er een groot energieverschil is tussen zijn komeet (door hem genoemd komeet Wieringa) en de mijne en dat hij zijn sterrenkundig en communicatief huiswerk had moeten doen alvorens iemand onnodig voor aap te zetten. Tevens vraag ik de WUB-redactie of eventuele vervolg-discussies in hetzelfde WUB-nummer kunnen worden opgenomen: telkens een maand tussenruimte maakt het voor de lezer niet erg overzichtelijk. Bovendien verwacht ik dat Posthumus een volgend keer zijn communicatieve huiswerk wel zal doen, door met mij, een collega, het minimaal benodigde vooraf-contact op te nemen, zoals ik aanraadde. Zoiets voorkomt verdere misverstanden.

De reactie van Posthumus krijg ik echter niet van hemzelf, maar van de WUB-redactie: een concept. Daaruit blijken twee dingen. Ten eerste, hij blijkt meer van sterrenkunde af te weten dan uit het eerste stukje bleek. Hij overdrijft soms en gaat bijvoorbeeld uit van een frontale botsing, terwijl geleidelijk invangen waarschijnlijker is - zo groot is de aarde nu ook weer niet. Ook toont hij meer zekerheid over de komeetinslag op Jupiter en de werking van de limiet van Roche dan een beroepsastronoom die ik daarover raadpleegde. Maar de kern van zijn reactie is dat het model-Whipple sinds omstreeks 1990 is achterhaald door recente onderzoekingen, uitgaand van metingen aan de (zeer grote) komeet van Halley.

Direct wil ik toegeven dat ik de modelwijziging niet ken, omdat ik na 1990 in Wageningen ben gaan werken en dus nauwelijks meer tijd heb voor mijn eigen specialismen, laat staan voor belangrijke randgebieden zoals de sterrenkunde. Zo leer ik weer wat bij. Nogmaals, telefonisch overleg door Posthumus na het eerste journalistieke WUB-stukje had ertoe kunnen leiden dat al in april een keurig overzicht in het WUB had gestaan van wat een echte komeet doet volgens de zeer recente inzichten. Uit een botsing der meningen ontspringt de waarheid.

Daarnaast blijkt echter uit Posthumus' tweede reactie dat hij totaal niet begrijpt dat ik nijdig werd omdat hij komeet Wieringa zette boven zijn zogenaamd milde stukje over iets dat ver afweek van mijn uitgangsmodel - zonder enige toetsing. Hij heeft mijn reactie niet serieus gelezen: hij noemt bijvoorbeeld de journalistieke Whipple-samenvatting nog steeds aannamen die ik genoemd zou hebben en erkent nergens dat ook ik een inslag van een kleine Whipple-komeet als ramp benoem. Zelfs zijn neerbuigend-toegeeflijke eindberekening over een kleinere komeet om Wieringa tegemoet te komen gaat uit van een vijf maal grotere dichtheid en een vier maal grotere snelheid dan die van het model-Whipple. Hij bedenkt zogenaamde redeneringen van mij en maakt die dan belachelijk. Overigens, om Posthumus te citeren, sla ik op tilt, sla ik de plank volkomen mis, deugen mijn opmerkingen niet en ben ik een onrealistisch optimist.

Mijn conclusie is dat deze escalatie heilloos is. En aangezien Posthumus geen enkele poging heeft gedaan om mij te bereiken voor een oplossend gesprek, doe ik dat dan maar. Het wordt een duur telefoongesprek, maar er lijkt begrip te ontstaan. Ik zeg hem dat hij moet uitscheiden op de man in plaats van op de bal te spelen. Als hij zijn stuk over de moderne komeet-feiten schoont van irrelevante neerbuigende snieren over mijn waardeloosheid - afgezien van zijn begrijpelijke begin-alinea over zijn eigen gegriefdheid - dan kan ik mijnerzijds reageren met respect voor zijn astronomische meerkennis en de discussie afronden met minimale schade voor onze reputaties. Ook zeg ik hem toe dat ik, na ontvangst van zijn gecorrigeerde reactie, mijn reactie eerder aan hem ter inzage zal sturen dan aan het WUB. Hij zegt mij op vrijdagochtend toe het WUB per omgaande te berichten over een komende herschrijving plus reactie; daarvoor heeft hij nog tot dinsdag de tijd.

Op de eerstvolgende donderdag verschijnt Posthumus' minachtende stuk ongewijzigd in het WUB. Kennelijk vond hij het de moeite niet waard om een uit de hand gelopen verschil van mening met een wetenschappelijk collega op een zakelijke manier op te lossen. Hij kiest er bewust voor meer op de man dan op de bal te spelen. Zo laat hij mij helaas geen andere zelfverdediging over dan bovenstaand overzicht van zaken.

Deze zaak hebben Posthumus en ik beiden verloren. Ik hoop niet dat de komeet het wint.

Re:ageer