Wetenschap - 11 januari 1996

Keuzevakken

Keuzevakken

Het behoud van de mogelijkheid voor studenten om zich via keuzevakken te richten op problemen die hun belangstelling hebben, is van grote betekenis voor de toekomst van onze universiteit. Het percentage van de Nederlandse beroepsbevolking dat in de landbouw werkt is sinds 1947 gedaald van negentien tot vier procent. In deze periode is de afvloeiing uit de landbouw betrekkelijk langzaam gegaan, omdat de Nederlandse landbouw sterk geintensiveerd is. Dit was mede mogelijk doordat het beleid van de Europese Unie een groot deel van de produktie van goedkopere concurrenten buiten de grenzen hield. Afgesproken is nu de Europese markten veel meer open te stellen voor produkten uit andere landen (GATT). Ook is het duidelijk dat wegens de milieuproblemen de intensivering teruggedrongen zal moeten worden. Het is daarom zeer goed mogelijk dat al voor 2025 het deel van onze bevolking dat in de landbouw werkt tot een procent gedaald zal zijn.

Een universiteit kan haar bestaansrecht niet ontlenen aan de ondersteuning van een zo kleine bevolkingsgroep, zelfs als zij zich niet alleen richt op de ondersteuning van boeren en tuinders, maar ook van de mensen die in de agribusiness werken. Daarom zijn in het verleden ook twee andere wegen gevolgd. Men kan landbouwwetenschap zien als de toepassing van andere wetenschappen op landbouwkundige problemen. Daarbij doet het er niet toe of biologie, psychologie, elektronica of welke andere wetenschap dan ook wordt toegepast, als het maar leidt tot de oplossing van een landbouwkundig probleem. Hiermee heeft de Landbouwuniversiteit een ander karakter gekregen dan de algemene universiteiten, waar discipline-gericht en niet probleemgericht gestudeerd wordt. In deze sfeer past dan ook de toepassing van verschillende wetenschappen op andere problemen. Dit maakte onze universiteit tot een geschikte plaats voor studierichtingen op het gebied van huishouden, voeding en milieu, waarvan de meeste a
fgestudeerden hun werk buiten de landbouw vinden.

De lijst van afgestudeerden van onze universiteit laat zien dat velen een werkkring hebben gevonden, die niet direct aansluit op hun studierichting. In tal van gevallen was dit mogelijk dankzij een keuzevak dat in een maatschappelijke behoefte voorzag en/of doordat zij in Wageningen geleerd hebben inzichten vanuit verschillende disciplines te integreren.

Een tijd lang hebben de meeste Nederlanders bijvoorbeeld gewoond in een provincie, waar de directeur van de Provinciale Planologische Dienst een Wageninger was. Dezen hadden hun functie niet gekregen omdat hun studie hen een groot inzicht had gegeven in de planologie van urbanisatie en industrialisatie, maar omdat zij beter dan bijvoorbeeld een geograaf inzichten uit verschillende vakgebieden konden begrijpen en integreren. Het is moeilijk te voorspellen hoe de werkgelegenheid voor academici zich in de toekomst zal ontwikkelen. Het is duidelijk dat tal van bestaande functies zullen verdwijnen en tal van nieuwe zullen ontstaan. Een belangrijk deel van deze nieuwe functies vereist de capaciteit om inzichten vanuit verschillende disciplines te integreren. Dit opent tal van mogelijkheden voor Wageningse afgestudeerden, mits de universiteit hen niet de mogelijkheid ontneemt om een brede opleiding te volgen, waarin bijvoorbeeld natuurwetenschappen en maatschappijwetenschappen gecombineerd w
orden.

Als we niet weten welke functies in de toekomst tot ontwikkeling zullen komen, is het niet mogelijk een studierichting op te zetten die voorbereidt op deze functies. Wel is het mogelijk de studenten via keuzevakken de mogelijkheid te bieden flexibeler in te spelen op deze mogelijkheden. Ook is het van veel belang de studenten zo te leren zich in een nieuw terrein in te werken. Herhaaldelijk heb ik studenten gehad die op het examen lieten zien dat zij van een nieuw toepassingsgebied van de voorlichtingskunde veel meer af wisten dan ik. Niet zelden hebben zij in dit gebied een werkkring gevonden. Anderen vonden een werkkring in een ander nieuw werkgebied, omdat de werkgever het vertrouwen had dat zij ook dit gebied zouden kunnen ontwikkelen. Het wordt veel moeilijker de capaciteit om probleemgericht te denken te ontwikkelen als studenten gedwongen zijn binnen disciplinaire kaders te blijven tijdens hun studie.

Vernieuwing in de wetenschap ontstaat vaak doordat vanuit een andere discipline dan in het verleden een probleem bestudeerd wordt. Dat C.T. de Wit de plantenteelt belangrijk heeft vernieuwd, was mede mogelijk doordat hij natuurkunde als keuzevak koos. Dit was in die tijd hoogst ongebruikelijk voor een akker- en weidebouwer. De LUW heeft vaak een hoogleraar gevraagd een nieuw vakgebied tot ontwikkeling te brengen, waarop hij zich niet met zijn studierichting maar met zijn keuzevak had voorbereid, bijvoorbeeld marktkunde, voorlichtingskunde en duurzame dierlijke produktiesystemen. Dit soort vakken en de mogelijkheid voor studenten om via keuzevakken mee te werken aan nieuwe ontwikkelingen heeft een grote invloed op de aantrekkingskracht van de LUW voor studenten. Als we deze mogelijkheid belangrijk beperken, zal dit leiden tot een sterke vermindering van het aantal studenten. Dan mogen we niet verbaasd zijn als over een jaar of twintig besloten wordt de LUW op te heffen, omdat het te ko
stbaar is voor het kleine aantal studenten dat er dan nog is een aparte universiteit te handhaven.

Re:ageer