Wetenschap - 14 november 1996

Kennissysteem LNV hobbelt achter innovaties aan

Kennissysteem LNV hobbelt achter innovaties aan

Ranglijst van innovatieve publicaties over plattelandsontwikkeling

De LUW-vakgroep Sociologie en de NRLO hebben de meest innovatieve publicaties op het gebied van rurale ontwikkeling vervat in een ranglijst. De deskundigen wijzen vooral studies aan in het spanningsveld van landbouw en natuur, die niet in het landbouwbolwerk tot stand zijn gekomen.


Het onderzoek naar plattelandsontwikkeling staat momenteel hoog op de politieke agenda. De beleidsmakers hebben behoefte aan geintegreerd onderzoek om een nieuw evenwicht aan functies in het landelijk gebied te vinden. Boeren, natuurbeschermers en recreatie-ondernemers lijken de belangrijkste partijen om vernieuwing en dynamiek op het platteland te creeren. Innovatief onderzoek uit Wageningen moet hen daarbij behulpzaam zijn.

De Nationale Raad voor Landbouwkundig Onderzoek (NRLO) en de vakgroep Sociologie van de LUW hebben gepeild wat de belangrijkste innovatieve publicaties zijn geweest op het terrein van de rurale ontwikkeling van de afgelopen twintig jaar. Het Europese Reaper-project was daarin geinteresseerd, omdat het de contacten tussen wetenschappers en beleidsmakers op dit terrein wil versterken. Daar kwam bij dat de NRLO wil weten hoe de innovatieve kracht van de landbouwwetenschappen kan worden versterkt.

Onder leiding van de socioloog/methodoloog prof. dr A.T.J. Nooij hanteerden de onderzoekers de zogenaamde Delphi-methode. Ze selecteerden zeventien wetenschappers van diverse universiteiten en beleidsmakers, hoofdzakelijk sociologen, economen en planologen, die in hun werk te maken hebben met landbouw, recreatie, landschap en natuur. Na interviews met deze personen ontstond een lijst van 47 titels. Daarna dienden dezelfde deskundigen het belang van de publicaties aan te geven: hebben deze een belangrijke wending in het discours over de rurale ruimte gegeven en een groot effect op de planvorming gehad? Het cijfer 5 stond voor zeer belangrijk, het cijfer 1 voor onbelangrijk.

De ranglijst die langs deze weg ontstaat, bevat interessante gegevens. Zo komen er geen dissertaties op de lijst voor. Die kunnen best een wetenschappelijke relevantie hebben, maar ze leiden blijkbaar niet tot maatschappelijke innovatie. Sowieso staan er weinig geschriften van Wageningse makelij op de lijst; de ministeriele nota's overheersen. Maar de lijst maakt ook duidelijk dat de echte innovatie niet aan de ambtelijke burelen tot stand komt.

De deskundigen zetten de Relatienota bovenaan de lijst. Deze nota uit 1975 legt voor het eerst een relatie tussen landbouw en natuur. Drie ministeries ondertekenen de nota, maar staatssecretaris W. Meijer van het ministerie van CRM (Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk werk) wordt genoemd als initiator.

In de nota staan beleidsinstrumenten om natuurlijke landschapselementen met inheemse plantensoorten en weidevogels in stand te houden. Ook staan de kosten aangegeven van het aanwijzen van honderdduizend hectare beheersgebied, waarin de landbouw beperkingen worden opgelegd en boeren vergoedingen krijgen, en een even groot areaal aan reservaatsgebied, dat het rijk zou moeten opkopen. Het ministerie van LNV ging de beheersgebieden doen, CRM deed de reservaten.

Superheffing

De Wageningse emeritus-hoogleraar voorlichtingskunde, prof. dr ir J.P.A. van den Ban, is nauw betrokken geweest bij de Relatienota. Hij stelt vast dat de uitvoering ervan erg lang op zich heeft laten wachten. De georganiseerde landbouw zag de beheersovereenkomsten lange tijd als een bedreiging van zijn vrijheid. Pas in 1984, met de invoering van de superheffing in de melkveehouderij, werden met name in weidevogelgebieden overeenkomsten gesloten. Toen paste natuurbeheer in de landbouwstrategie en kreeg de nota grote invloed op het platteland.

De Relatienota beoogde de tegenstelling tussen scheiding of verweving van landbouw en natuur te overbruggen, stelt Van den Ban, maar slaagde daar niet in. Dat blijkt heel mooi als nummer 2 op de ranglijst ten tonele verschijnt: het plan-Ooievaar, in 1986. Vijf medewerkers van het ministerie van Landbouw, waaronder vier landschapsarchitecten, stellen in dit plan voor om natuur te ontwikkelen in de uiterwaarden van de Nederlandse rivieren. Ze dienen dit plan in voor de prijsvraag van de E.O. Wijers-stichting, en winnen.

Het ministerie was daarna volstrekt afwijzend over ons plan", herinnert F. Vera, een van de opstellers, zich. Ooievaar geldt als het voorbeeld binnen het ministerie van hoe initiatieven kunnen worden platgeslagen. Het basisprincipe van ons plan was de scheiding van functies, om zowel de landbouw als de natuur voldoende tot hun recht te laten komen. Het zijn gewoon twee verschillende dingen. Dit principe van scheiding gold ook als grondslag voor een ecologische hoofdstructuur, die je analoog moet behandelen aan andere hoofdstructuren, zoals de A6. Daar mag je ook niet met paard en wagen op. Ook in de ecologische hoofdstructuur moet je agrarisch natuurbeheer dus uitsluiten."

Ondanks de tegenwerking van het landbouwministerie werd het plan toch uitgevoerd, omdat minister Smit-Kroes van Verkeer en Waterstaat er tijd in investeerde. Boze tongen beweren dat zij dit natuurontwikkelingsproject publicitair nodig had, omdat haar ministerie de natuur had aangetast bij de aanleg van de Deltawerken. Maar volgens Vera was Smit-Kroes echt geinteresseerd in natuurwaarden, ook al omdat zij een van de makers van het plan-Ooievaar kende. Het natuurgebied Blaauwe Kamer bij Rhenen is een van de uitvloeisels van het plan.

Mestproblematiek

Op de derde plaats in de ranglijst staat Zorgen voor morgen, de milieu-verkenning van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) uit 1988. Deze studie maakte duidelijk dat het milieu dramatisch zou verslechteren bij ongewijzigd beleid. De automobilisten, de boeren en de industrie moesten extra maatregelen nemen om de emissie van schadelijke stoffen terug te dringen, bleek uit de studie. Het rapport kreeg veel aandacht en rakelde ondermeer de mestproblematiek, de verdroging en de slechte toestand van de bossen op.

Zorgen voor morgen leidde tot het nationaal milieu-beleidsplan en intensiveerde de druk op het ministerie van LNV om de ammoniak-uitstoot in verzuringsgevoelige gebieden terug te dringen. Wederom zat het ministerie in een verdedigende positie, maar ditmaal leverden ook Wageningse onderzoekers een belangrijke bijdrage aan de milieuverkenning. De LUW-vakgroepen Bodemkunde en geologie en Luchtkwaliteit, het Staring-centrum en het Instituut voor Bos- en Natuuronderzoek (IBN-DLO) voorzien het RIVM van veel gegevens over het milieu in het rurale gebied. Blijkbaar hadden ze het RIVM en het ministerie van Vrom nodig om hun onderzoek naar feitelijke planvorming te vertalen.

Het landbouwkennisnetwerk lijkt grote moeite te hebben om het discours over plattelandsontwikkeling met nieuwe inzichten, analyses en verkenningen te verrijken. Dat blijkt bij de nummers 5 en 6 van de lijst. Op 5 staat Bouwstenen voor een geintegreerde landbouw, de studie van de Leidse vakgroep Milieubiologie uit 1984. Deze studie legde de basis voor een rapport van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) over geintegreerde landbouw. Het is een pleidooi voor een milieuvriendelijke landbouw en duurzaamheid avant la lettre", schrijven de makers van de ranglijst.

De WRR-studie stond onder leiding van de Wageningse productie-ecoloog prof. dr C.T. de Wit, die in de landbouwstad geen groep van wetenschappers kon vinden met nieuwe gedachten over de relatie tussen landbouw, milieu en natuur. Hij week uit naar Leiden, waarmee hij een schok van boosheid en teleurstelling teweeg bracht in Wageningen. Daar hingen de meeste onderzoekers het exportgroei-scenario van het Groene Front aan en de auteurs uit Leiden nemen daar afstand van.

Evenwicht

Op de zesde plaats staat het bedrijfsstijlen-onderzoek van de Wageningse socioloog prof. dr ir J.D. van der Ploeg. De deskundigen dateren zijn inbreng in 1991, toen hij een artikel in het discussieblad Spil schreef. Maar Van der Ploeg timmert al zo'n tien jaar aan de weg met zijn notie dat boeren meerdere strategieen hebben om boer te kunnen blijven. Als gevolg moet de overheid maatwerk leveren om de boeren op lokaal niveau in staat te stellen een evenwicht te vinden tussen landbouwproductie, landschapsbehoud en milieubeheer, betoogt de hoogleraar.

Van der Ploeg heeft het inmiddels gebracht tot belangrijk adviseur van minister Van Aartsen, maar heeft jarenlang moeten vechten om zijn onderzoek op de wetenschappelijke en politieke agenda te krijgen. Zijn gevloek en getier op het landbouwonderzoek, dat de onderzoeksvragen van gisteren beantwoordt, is daar het resultaat van. Wederom komt het landbouw-netwerk niet erg innovatief over.

Natuurlijk zijn er andere conclusies te trekken uit het lijstje met innovatieve publicaties. Opvallend is bijvoorbeeld dat ze vrijwel allemaal handelen over het spanningsveld tussen landbouw en natuur op het platteland. Daarbij scoren de voorstanders van scheiding (Plan-Ooievaar en de WRR-studie Grond voor keuzen, op nummer 8) even sterk als de voorstanders van verweving (Geintegreerde landbouw en Van der Ploeg). In de top van de ranglijst zit een gigantische discussie over landbouw en natuur", concludeerden de deskundigen vorige maand tijdens de slotbespreking van het onderzoek.

Je kunt de publicaties clusteren en in een historisch perspectief plaatsen", stelde de sociaal geograaf prof. dr G.J. Borger van de Universiteit van Amsterdam. Zo'n lijst komt tot stand via waarde-oordelen. De context is dus heel belangrijk en die wordt mede bepaald door mentale en economische processen in de afgelopen decennia. Als een publicatie niet aansluit bij die mentale context, kun je het schudden." De vraag welke nota's niet in de top-50 van plattelandsontwikkeling voorkomen, konden de deskundigen uiteraard niet beantwoorden, omdat ze de lijst zelf hebben samengesteld.

De deskundigen kwamen tevens met allerlei suggesties om het onderzoek verder te verfijnen. Zo moet je de overheidsnota's misschien loskoppelen van de adviezen aan de overheid, zodat je de producenten en de afnemers een oordeel kunt vragen over het belang van een publicatie. Op deze manier kan de maatschappelijke relevantie van onderzoek scherper worden gemeten, denken de deskundigen. Daar is steeds meer behoefte aan. U hebt een kansrijk onderzoeksveld aangeboord", kreeg Nooij dan ook te horen van een collega.

  • KOP = Belangrijkste publicaties over rurale ontwikkeling:

  • = 1. Relatienota (L&V, CRM, VRO, 1975) 4,47
  • = 2. Plan Ooievaar (Nieuwenhuize e.a., 1986) 4,31
  • = 3. Zorgen voor morgen (RIVM, 1988) 4,29
  • = 4. Natuurbeleidsplan (LNV, Vrom, V&W, 1990) 4,24
  • = 5. Geintegreerde landbouw (WRR, 1984) 4,19
  • = 6. Bedrijfsstijlen (Van der Ploeg, 1991) 4,13
  • = 7. Vinex (Vrom, 1991) 4,00
  • = 8. Grond voor keuzen (WRR, 1992) 3,94
  • = 9. Dynamiek en vernieuwing (LNV, 1995) 3,82
  • = 10. Derde nota RO (VRO, 1979) 3,81

  • Re:ageer