Wetenschap - 7 november 1996

Internationaal agrarisch onderzoek moet het lab uit

Internationaal agrarisch onderzoek moet het lab uit

Serageldin wil veredeling ten dienste van armen en milieu

Dit verhaal gaat over onderzoek dat de armoede moet bestrijden, maar het begint bij een paar rijke mensen in Washington, die bij de Wereldbank topposities bekleden. Eigenlijk horen ze met regeringsleiders en bankiers te dineren om hun budget tegen pittige voorwaarden weg te zetten in de derde wereld. Maar James Wolfensohn en Ismail Serageldin, respectievelijk president en vice-president, hebben besloten de Wereldbank-wolkenkrabber te verlaten. Ze gaan op tournee langs de ontvangers van het geld.


Wolfensohn bezoekt de armen in de sloppenwijken om de effectiviteit van de Wereldbank-steun te controleren, zo stond onlangs te lezen in enkele Nederlandse kranten. En Serageldin bezoekt de onderzoeksinstituten in de derde wereld die geacht worden de voedselvoorziening te verbeteren. Hij is namelijk tevens voorzitter van de CGIAR, de Consultative Group of International Agricultural Research.

Serageldin ging de afgelopen jaren de zestien internationale agrarische instituten langs met lastige vragen. Een Wageningse stagiaire kwam hem tegen bij de West African Rice Development Association (Warda), waar de baas wilde weten of de onderzoekers wel eens buiten de omheining van hun instituut kwamen om de onderzoeksvraag in Ivoorkust te bepalen. Om te beginnen zouden ze eens steun kunnen verlenen aan het nationale agrarische instituut van Ivoorkust, waar de laatste onderzoeker voornamelijk beschikte over een verzameling vaktijdschriften, teneinde op de hoogte te blijven van vacatures elders.

De eerste CGIAR-instituten werden ruim 25 jaar geleden opgericht om via landbouwkundig onderzoek de wereldvoedselvoorziening te verbeteren. De hongersnoden in Bangladesh en India hadden de wereld geschokt en er was een groene revolutie nodig om de groeiende bevolking te voeden. Fameus werden de nieuwe, hoogproductieve rijstvarieteiten van het International Rice Research Institute (Irri) in de Filipijnen, een van de CGIAR-instituten.

De productiestijging van rijst, tarwe en mais bedroeg tussen 1950 en 1985 gemiddeld 2,7 procent per jaar, waardoor per wereldburger veertig procent meer voedsel werd geproduceerd. Die groei leidde echter tot een zwaardere milieubelasting en onevenwichtige inkomensverhoudingen. Zo daalde de voedselproductie per hoofd van de bevolking in Afrika, waar de groene revolutie niet aansloeg.

Vertalen

Onder leiding van haar directeur, de Senegalees Dioef, wil de wereldvoedselorganisatie FAO nu een nieuwe groene revolutie in gang zetten, zodat de verwachte acht miljard wereldburgers in 2025 te eten zullen hebben. De CGIAR acht dat haalbaar, maar dan moet het onderzoek naar nieuwe landbouwrassen en technieken onverminderd doorgaan.

Ook de internationale agrarische instituten zelf moeten deel uitmaken van de revolutie. De veredelingsinstituten van de CGIAR hadden als centraal concept dat ze algemene wetenschappelijke en technische kennis moesten produceren. Het nationale landbouwkundige onderzoek hoorde de CGIAR-technologie te vertalen naar de lokale omstandigheden. Kwamen die omstandigheden min of meer overeen met de westerse, dan lukte dat meestal wel. Maar in tropische omstandigheden liep de toepassing vaak uit op een mislukking.

De centrale directie van de instituten probeerde dit probleem aanvankelijk op te lossen door meer instituten op te richten. Omdat de nationale instituten vaak onvoldoende kwaliteit en menskracht hadden om de resultaten toe te passen, werd het ISNAR opgericht, dat vanuit Den Haag de nationale instituten moest ondersteunen. En omdat de introductie van technologie op sociaal-economische verhoudingen kon stuklopen, werd het IFPRI opgezet, dat vanuit Canada de food policy in de wereld ging doen.

Volgens E.H. Hartmans, die jarenlang directiefuncties vervulde in het CGIAR-wereldje, bleef het oorspronkelijke concept van de instituten daarmee impliciet ongewijzigd. Nog steeds dachten ze dat meer technologie de producenten zou stimuleren om meer voedsel te produceren, waardoor ze meer zouden verdienen. Daardoor zou de vraag naar eindproducten als landbouw-inputs toenemen, waardoor er kapitaalvorming zou ontstaan, industrialisatie en een ontwikkelde economie. Het concept ging er tevens van uit dat de technologie zou passen in de bedrijfsvoering van de boer en dat er een gezonde markt was voor de extra productie. Dit idee heeft de test of time niet overleefd", meent Hartmans.

Armoedebestrijding

Het roer moet nu grondig om. Dat vindt ook Serageldin. Sinds zijn aantreden roept hij dat het onderzoek ten dienste moet staan van de armoedebestrijding. Hij citeert met instemming de Indiase wetenschapper M.S. Swaminathan, die stelt dat ontwikkeling alleen goed is als ze pro-poor, pro-women and pro-environment is. Een duurzame productie is volgens Serageldin alleen mogelijk als er nieuw multidisciplinair onderzoek komt, dat gebruik maakt van traditionele lokale kennis. Alleen zo kan de landbouw de motor zijn van werkgelegenheid en inkomensgeneratie.

Om die inkomensgeneratie echt mogelijk te maken, moet er eerst een einde komen aan het schuldenprobleem in de derde wereld. Daarom heeft Wolfensohn nu het schuldenprobleem op de agenda gezet en willen de Wereldbank, het IMF en de donorlanden tegen het einde van dit jaar tussen de 5,6 en 7,7 miljard gulden aan schulden kwijtschelden.

Wil Serageldin succes boeken, dan moeten de CGIAR-instituten samenwerken met de nationale onderzoekscentra in de derde wereld, de instituten voor National Agricultural Research. Veel van die centra zijn zwak, omdat ze weinig geld krijgen van hun regeringen en slecht samenwerken met lokale universiteiten en non-gouvernementele organisaties uit het westen die ter plekke projecten uitvoeren en onderzoek doen.

Het probleem daarvan is, signaleert de Technical Advisory Committee van de CGIAR, dat iedereen zijn eigen maatstaven hanteert bij de evaluatie van het onderzoek. Meestal wordt alleen het eigen project bekeken; als dat mislukt, ligt het steevast aan andere factoren. Verder hebben donors de neiging om alleen input en output te meten: hoeveel geld gaat erin, wat voor producten komen eruit? De Technical Advisory Committee wil echter weten of een project duurzame ontwikkeling creeert, of het relevant blijft voor de bestrijding van armoede en of het flexibel genoeg is om in te spelen op veranderende omstandigheden. Daarvoor zijn indicatoren nodig die de belangen van de donors overstijgen.

Het lastige van deze institutionele ontwikkeling is de vraag of de aanpak buiten de studeerkamer te hanteren valt. Is dit weer een blueprint from elsewhere of komt nu echt de lokale kennis en de ecologische verscheidenheid in beeld? Ook daar hebben Serageldin en de zijnen over nagedacht. De instituten moeten blijven veredelen, maar krijgen er een taak bij: het ontwikkelen van eco-regionale programma's.

Zodoende moet het aardappelinstituut in Peru de ontwikkeling van het Andes-hoogland stimuleren, moeten de instituten voor rijst en tropische gewassen in West-Afrika samenwerken om die regio te ontwikkelen, en moet het veehouderij-instituut in Kenia de Sahel-problematiek op zich nemen. Als de programma's toevallig om visdeskundigen verlegen zitten, omdat de regio daar behoefte aan heeft, dan mailen ze het instituut op Sri Lanka dat visonderzoek doet. Door de ontwikkeling van Internet kan de vragende partij immers snel kennis en technologie ter beschikking krijgen.

Schimmels

Een paar voorbeelden van wat er zoal kan gebeuren. Het International Institute of Tropical Agriculture (IITA) in Nigeria werkt aan de veredeling van kouseband. Dit plantje is goed voor een kwart van de proteinen in West-Afrika, maar is zeer gevoelig voor insectenplagen. Het instituut zoekt naar geschikte genen in wilde kousebandsoorten om het voedselgewas resistent te maken. Vraag: werken er mensen elders aan de veredeling van kouseband?

Tweede voorbeeld: Het IITA vermoedt dat een groot deel van de Afrikaanse bevolking zichzelf langzaam vergiftigt. Ze eten namelijk mais die de kankerverwekkende schimmels Aspergillus flavus en Fusarium moniliforme bevat. Het IITA heeft aanwijzingen dat de hoge kindersterfte in Afrika mede door deze schimmels wordt veroorzaakt. Vraag: zijn de schimmels carcinogeen en zijn er behandelmethoden om ze te bestrijden?

Als de plannen van Serageldin slagen, vallen straks de barrieres tussen de internationale instituten, de nationale instituten en de non-gouvernementele organisaties weg. Ook de Landbouwuniversiteit kan dan intekenen op een eco-regionaal programma. De CGIAR wil optreden als katalysator. Een geschikte doelstelling voor een verzameling instituten die jaarlijks vierhonderd miljoen dollar besteden. Daarmee besteden ze zo'n drie procent van alle uitgaven voor landbouwkundig onderzoek in de wereld; ongeveer evenveel als de LUW en DLO tezamen. Ook de internationale instituten moesten de afgelopen jaren bezuinigen en Serageldin is zijn campagne mede begonnen om het budget voor de CGIAR de komende jaren te verdubbelen.

Prioriteiten

De groeiende aandacht voor duurzaamheid, lokale kennis, biodiversiteit en voedselpolitiek is al zichtbaar in de CGIAR-begrotingen. In 1991 gaven de instituten 33 procent uit aan Production systems, in 1996 nog maar 22 procent. Het thema Protecting the environment steeg van zeven procent naar zestien procent, Saving biodiversity klom van zes naar negen procent en Improving policies ging van negen naar dertien procent.

Medeverantwoordelijk voor de verschuiving van de prioriteiten is Bram Huisman, directeur van het onderzoeksinstituut Animal Sciences van de LUW. Hij is lid van de Technical Advisory Committee. Huisman wijst op het groeiende internationale besef dat het onderzoek moet verschuiven van productie naar resources: de draagkracht van het milieu en sociaal-economische factoren. Automatisch kom je dan bij interdisciplinair onderzoek en samenwerking met regionale instituten, meent Huisman.

Daarmee appelleert het onderzoek niet meer aan de landbouw in enge zin en dat kan betekenen dat de milieu-organisatie van de VN en het ministerie van Vrom in de CGIAR-instituten gaan investeren, denkt Huisman. Het ecologisch onderzoek staat immers hoog op de agenda en het proefstationachtig onderzoek is geleidelijk afgebouwd.

Het gaat dus de goede kant op, vindt Huisman. Maar bedachtzaam merkt hij op dat de interdisciplinaire methode lastig is. Onderzoekers moeten over hun eigen heggetjes heenkijken en overleg gaan voeren. Dan kan het even duren voordat ze elkaar begrijpen en een gezamenlijk plan hebben. Dat geldt ook voor de samenwerking met de nationale instituten. De aanpak leidt tot nieuwe kosten. Daardoor kan de onderzoeksoutput per onderzoeker wel eens lager worden."

Is die Serageldin nu volgens Huisman werkelijk de ridder op het witte paard die de arme vrouwen uit een slecht milieu komt redden? Och, deze discussie loopt al sinds 1989, voor de komst van Serageldin. Het is een lopend proces. Maar Serageldin heeft de leiding en heeft de omslag transparant vertaald naar de buitenwereld."

Re:ageer