Wetenschap - 6 april 1995

Inkrimping veestapel nog steeds taboe

Inkrimping veestapel nog steeds taboe

Maartse mestdiscussies in Wageningen

Tot op heden stelden de mestnormen niet veel voor, maar tussen nu en het jaar 2000 moet er echt iets gebeuren. Wordt het tijd voor het inkrimpen van de veestapel? Nee hoor, de overtollige mest moet zwaar worden belast, zodat zo'n vijftien procent van de boeren afvloeit. En als het ammoniakbeleid niet kan worden gehaald, dan stellen we toch de doelstelling bij? Vijf Wageningse mestdiscussies in de maand maart.


Je mag niet nu al praten over een generieke inkrimping van de veestapel. Dat begint zo langzamerhand een religie te worden. De landbouwsector heeft voldaan aan de eerste en tweede fase van het mestbeleid. We liggen op schema, niemand kan zeggen dat het niet klopt. Hoe kun je dan als overheid, voordat de derde fase van het mestbeleid ingaat, zo'n zware strafmaatregel als inkrimping opleggen. Dat is vooraf straffen, zo ga je niet met mensen om."

Aldus J. Stegeman, van de land- en tuinbouworganisatie, LTO-Midoost. Als boerenvoorman zat hij in het forum dat op 30 maart in De Wereld over de mestproblematiek discussieerde. De discussie was onderdeel van een reeks van vier bijeenkomsten, die in maart werden georganiseerd door de Themagroep landbouw en milieu (TLM). Ook de cyclus Beleid en Universiteit, van Studium Generale en de werkgroep Landbouwpolitiek, wijdde in maart een middag aan de mestdiscussie. Hier sprak mr P. Ritsema, directeur Landbouw van het ministerie van LNV.

Ritsema constateerde, net als Stegeman, dat de eerste fase (tot 1991) en tweede fase (1991-1994) van het mestbeleid goed zijn verlopen: aan de doelstellingen is voldaan. Geen grote prestatie, zo blijkt uit de cijfers. Die werden gepresenteerd door P. Meeuwissen van de Heidemij. Ondanks het mestbeleid is tussen 1980 en 1993 niets veranderd in de landbouw. De juridische fosfaatnormen voor gras, mais en bouwland in 1993 lagen op respectievelijk 200, 200 en 125 kilogram per hectare. Dat terwijl het landbouwkundige bemestingsadvies toen al uitging van 125, 125 en 70 kilogram. Pas nu worden de eerste stapjes gezet", aldus Meeuwissen.

Evenwichtsbemesting

En dat is nodig, want in de derde fase tot het jaar 2000 worden de normen aangescherpt. De landbouw moet toe naar evenwichtsbemesting: alle mest moet door de gewassen kunnen worden opgenomen. Toch zal dat evenwicht niet op nul worden gesteld. In de bodem treden verliezen op. Daarom wil het landbouwbedrijfsleven dat met een verliesnorm van 25 kilogram fosfaat per hectare wordt gerekend. Vanuit het milieu zou slechts een verlies van 1 kilogram acceptabel zijn. Wat de ministers Van Aartsen van LNV en De Boer van VROM uiteindelijk beslissen, is nog onduidelijk. Dat hangt mede af van een studie naar de sociaal-economische gevolgen van de normen.

Dat neemt niet weg dat in 1995 voor het eerst echte mestproblemen ontstaan. Niet omdat de normen van de overheid te streng zijn. Juridisch is er ruimte voor 259 miljoen kilogram fosfaat in Nederland, terwijl er 215 miljoen kilogram wordt geproduceerd. Nee, er ontstaat een mestoverschot, omdat de akkerbouwers de overtollige varkensmest niet voor honderd, maar slechts voor zeventig procent accepteren. Uiteindelijk berekent Meeuwissen voor 1995 een mestoverschot van 40 miljoen kilogram fosfaat, waarvan 10 miljoen geexporteerd kan worden naar het buitenland.

Voor het jaar 2000 geldt ongeveer eenzelfde overschot. De normen zijn dan weliswaar strenger, maar er wordt minder geproduceerd (minder dieren) en de export van mest neemt waarschijnlijk toe. Het overschot komt dan uit op 35 miljoen kilo fosfaat.

Inkrimping

Hoe komen we van dat overschot af? Ritsema trekt zich namens het ministerie van LNV wijselijk terug. Als export en grootschalige verwerking niet snel een groot deel van het overschot uit de markt halen, dan komt inkrimping van de veestapel in beeld. Dit is een pijnlijke aangelegenheid, temeer daar dit soort geluiden mestverwerkingsinitiatieven tegenwerken. De overheid ondermijnt haar eigen mestbeleid. Zij probeert het mest- en ammoniakprobleem teveel zelf op te lossen. De regeldichtheid wordt steeds groter, waardoor handhaving problematisch wordt. De twijfel of de overheid de problematiek nog kan aanpakken, wordt steeds groter. Daarom moeten we naar een nieuw sturingsproces. Dat behelst meer verantwoordelijkheid van maatschappelijke actoren, waarbij de overheid randvoorwaarden stelt; dus de overheid minder als regelaar, meer als bemiddelaar."

En dat lijkt de landbouworganisaties prima uit te komen. Op de slotavond van de TLM-cyclus wordt meerdere keren gepredikt dat het mestbeleid een individueel beleid is. Iedere veehouder moet zorgen dat hij zijn mest op verantwoorde wijze afzet. Als beleidsinstrument wordt gegrepen naar de mineralenboekhouding. Daarin worden inputs in het bedrijf, zoals veevoer en kunstmest, verrekend met de mineralenuitvoer in de vorm van melk of vlees. Wat resteert zijn de mineralen in de mest, waarvan een bepaalde hoeveelheid op eigen land mag worden uitgereden. De rest is overschot, waarvoor iedere veehouder een verantwoorde afzet voor moet vinden: afzetten bij een akkerbouwer, exporteren of verwerken in een mestfabriek. Over de mest die hij niet verantwoord kan afzetten, moet zo'n hoge heffing worden betaald, dat het niet langer interessant is om die mest te produceren.

Doelen

Een prima beleid, stelt LTO-vertegenwoordiger Stegeman. Geef ons de doelen en de sector lost de problemen op. Nu sinds januari 1995 de boeren een korting van dertig procent op hun fosfaatproduktierechten krijgen doorgevoerd, realiseren vele veehouders in korte tijd via de inputs een reductie van dertig tot soms zelfs veertig procent. Natuurlijk zijn er bedrijven die niet aan de normen kunnen voldoen, maar dan stellen wij ons als LTO hard op en zeggen dat het daar dan maar afgelopen moet zijn."

D66 politicus P. ter Veer vult aan: De boeren hebben tien jaar de tijd gehad om er iets aan te doen en dan geldt voor D66 Hora Est: de tijd is verstreken. Wij geven geen stuiver voor een warme sanering. Dat betekent niet dat we geen belang hechten aan de intensieve veehouderij. We moeten niet vergeten dat in die sector 110 duizend mensen werken en een omzet wordt gehaald van 10 miljard. De varkenshouderij levert een waardevolle bijdrage aan de nationale economie. We moeten alleen dat ene vuiltje (het milieuprobleem) even wegwerken." B. van Til van de Nederlandse varkenshouderij vakbond ziet wel mogelijkheden om het overschot weg te werken. We moeten mest niet grootschalig verwerken, maar bewerken op bedrijfsniveau. Met nieuwe installaties is het mogelijk om het water uit de mest te halen om zo de mineralen te concentreren. Zo wordt hoogwaardige mest verkregen, waarvoor een veel hogere acceptatiegraad bij akkerbouwers zal gelden, en waarvan de transportkosten ee
n stuk lager zijn. Het kost dan nog 10 tot 15 gulden om van een kuub mest af te komen, en dat is voor de sector op te brengen."

Exporteren

D66'er Ter Veer ziet wel wat in deze techniek en daarnaast is volgens hem nog veel mest te exporteren naar het buitenland. Je kunt mest van Winterswijk naar het noorden van Nederland afzetten. Dan overbrug je een afstand van 200 kilometer. Binnen hetzelfde aantal kilometers zit je ook in het Oost-duitse Selle, waar grootschalige akkerbouw op zandgrond wordt bedreven. D66 werkt er hard aan om belemmeringen weg te nemen die de export van verse mest naar het buitenland tegengaan", aldus de parlementarier.

Later op de avond merkt de politicus terloops op dat 85 procent van de bedrijven moeiteloos aan de normen kan voldoen. Slechts vijftien procent krijgt het moeilijk. Stegeman van de LTO reageert niet en lijkt dit te beamen. Vijftien procent tot het jaar 2000, is gelijk aan een afvloeiing van jaarlijks drie procent - een autonoom proces dat al jaren gaande is. Ook LNV-directeur Ritsema zegt dat in de toekomst het milieuprobleem kan worden opgelost met de groei van landbouwbedrijven.

De belanghebbenden zijn er schijnbaar stellig van overtuigd dat de landbouwkundige verliesnormen gaan gelden. Want als het kabinet vasthoudt aan milieukundige normen, is landbouw niet langer mogelijk in de zandgebieden van Nederland, beweren landbouw- en milieuorganisaties.

Toch gaan de laatsten ervan uit dat een milieukundige verliesnorm gaat gelden. Het mest- en ammoniakbeleid is opgesteld om milieu en natuur te beschermen. We moeten aan de normen voldoen, en dat kan alleen als de veestapel wordt ingekrompen", zei J. Reijnen van de Gelderse milieufederatie tijdens de forumdiscussie. Daarbij pleiten natuur- en milieuorganisaties voor een warme sanering, om de pijn voor de boeren te verzachten. Een beleidsmaatregel waar boerenorganisaties echter niets van willen weten.

Ammoniakbeleid

Als het gaat om het mestbeleid, spreken overheid en landbouworganisaties reeds opvallend dezelfde taal. De discussie wordt echter heviger als het gaat om het ammoniakbeleid. Sinds een paar maanden beginnen steeds meer boeren te roepen dat over de ammoniakvervuiling niets bewezen is. De doelen zijn moeilijk te realiseren. Vijftig procent reductie in ammoniakemissie in het jaar 2000 lukt nog wel. Maar de inspanningsverplichting van 70 procent in het jaar 2005 valt een stuk zwaarder.

Het overgrote deel van de ammoniakemissie vindt plaats bij het uitrijden van mest en in de stal. Volgens Meeuwissen van de Heidemij bedroeg de ammoniakemissie in 1980 200 miljoen kilogram, waarvan 108 miljoen emiteert tijdens het uitrijden op het land. Voor 2000 berekent hij een emissie van 98 miljoen kilogram ammoniak, waarvan nog slecht 6 miljoen kilogram toe te schrijven is aan mestaanwending. Dat betekent een totale reductie van zo'n 50 procent, die hoofdzakelijk te danken is aan de zodeinjectie.

Om een reductie van 70 procent te realiseren, moeten daarom ook groenlabelstallen, waarbij de emissie nul is, worden gebouwd. En dat is voor het jaar 2000 niet te verwachten. Die stallen zijn te duur, stelt Heidemij. Ter Veer: Het ammoniakbeleid dreigt een politiek drama te worden. Het probleem is dat we van de ammoniakemissie te weinig afweten." Ritsema van het ministerie vindt dat ook. De wetenschap kan haar rol van legitimatie van het milieubeleid niet vervullen. Het draagvlak van landbouworganisaties die eerst hebben meegewerkt, neemt af. Ze willen meer duidelijkheid. Wat voor de landbouw haalbaar is, staat ver af van wat milieukundig acceptabel is. Dus is er meer onderzoek nodig."

Wachten op de wetenschap zit er volgens Ter Veer echter niet meer in. Zo komen we geen stap verder. Het wordt tijd dat beide partijen zich nog eens op hun standpunten bezinnen." De politicus keek daarbij J. Reijnen van de Milieufederatie diep in de ogen. Discussieren over inkrimpen van de veestapel teneinde gestelde doelen te bereiken, blijkt nog steeds moeilijk. Liever stelt men de doelstellingen ter discussie.

Re:ageer