Wetenschap - 19 december 1996

Inkomen agrarische sector neemt toe

Inkomen agrarische sector neemt toe

Het inkomen van het agrarische sector is gemiddeld in 1996 verbeterd. De productie is groter dan vorig jaar en de prijzen liggen ongeveer 2,5 procent hoger. De totale productiewaarde van de sector stijgt met drie procent, van 35,3 naar 36,3 miljard gulden. Dit meldt het Landbouw-Economisch Instituut (LEI-DLO) in zijn jaaroverzicht van de actuele inkomensontwikkeling. Het gaat goed met de varkens- en pluimveehouderij en de glastuinbouw. Daarentegen hebben de akkerbouw, de melkveehouderij en de champignonbedrijven te maken met een inkomensdaling.

Varkenshouders zagen hun arbeidsopbrengst per dier het afgelopen jaar verdubbelen, dankzij een stijging van de varkensprijzen. Het gezinsinkomen stijgt naar 110 duizend gulden. Ook pluimveehouders boeren goed. In de leghennenhouderij stijgt het inkomen van zeventig- naar honderdduizend gulden per ondernemer. Op het gemiddelde glasgroentebedrijf worden aanmerkelijk betere resultaten geboekt dan in 1995. Het gezinsinkomen neemt met twintigduizend gulden toe tot bijna tachtigduizend gulden.

Natuurlijk zijn er ook sectoren die er minder florissant voorstaan. Zo is in 1996 voor melkveehouders het gezinsinkomen met veertienduizend gulden gedaald tot 34 duizend gulden. Belangrijkste oorzaken zijn een daling van de melkprijs met drie procent en een daling van de veeprijzen door de BSE-crisis met vijftien procent. De krachtvoerkosten zijn met vijf procent gestegen. Al met al worden de gemaakte kosten slecht voor 75 procent goedgemaakt.

Ook in de akkerbouwsector daalt opnieuw het inkomen. Een daling van de productprijzen zorgt ervoor dat de productiekosten dit jaar slechts voor 86 procent worden goedgemaakt door de opbrengsten. Als gevolg daalt het gezinsinkomen met achttienduizend gulden naar 47 duizend gulden.

Een andere recente LEI-publicatie meldt dat de concurrentiepositie van de Nederlandse land- en tuinbouwbedrijven binnen de Europese Unie weliswaar nog voldoende is, maar toch duidelijk minder gunstig dan in de jaren tachtig. Zo ligt in een aantal concurrerende regio's het gezinsinkomen per arbeidskracht inmiddels op het Nederlandse niveau. Volgens het LEI is dit te wijten aan sterkere afvloeiing van arbeid in die regio's en een ruimere mate waarin de landbouw in andere lidstaten profiteert van subsidies. Ook het relatief hoge vaste-kostenniveau is voor de Nederlandse landbouw een knellende factor.

Re:ageer