Wetenschap - 2 april 1998

Ik huil niet mee met de wolven

Ik huil niet mee met de wolven

Ik huil niet mee met de wolven
Opleiding Landschapsarchitectuur onder vuur
De opleiding Landschapsarchitectuur in Wageningen krijgt veel kritiek van de architectenbureaus, waar het gros van de studenten een baan hoopt te vinden. Nu de overheid de ruimtelijke planning steeds vaker uitbesteedt aan deze bureaus, hebben de vergrijsde Wageningse docenten het contact met de dynamische wereld van de bureaus verloren. Die kritiek bevat een kern van waarheid, reageert hoogleraar Klaas Kerkstra, maar vernieuwing is lastig te realiseren
De Wageningse opleiding tot landschapsarchitect ligt al een paar jaar onder vuur. Volgens de architectenbureaus sluit de opleiding niet aan bij de praktijk. De docenten van de vakgroep zouden de aansluiting met de praktijk missen en dat zou zijn weerslag hebben op de opleiding. Bovendien zouden de opleidingen in Wageningen en de hbo-opleiding van hogeschool Larenstein steeds slechter van elkaar te onderscheiden zijn
Ir Eric Luyten studeerde in 1985 af en heeft nu een eigen bureau voor landschaparchitectuur in Barcelona. Na ruim tien jaar is hij weer even terug bij de leerstoelgroep. Hij werd door hoogleraar prof. ir Klaas Kerkstra naar Wageningen gehaald als tijdelijk docent om een ontwerppracticum te begeleiden. Luyten neemt het op voor de voormalige vakgroep, de kritiek van zijn vakbroeders vindt hij onterecht. Ik huil niet mee met de wolven. De groep is zwaar onderbezet. Als ik kijk wat ze hier met drie a vier mensen voor elkaar krijgen, neem ik mijn petje af.
De kritiek dat de leerstoelgroep een vergrijsd docentenbestand heeft, geldt volgens Luyten niet alleen voor de landschapsarschitectuur. Oude docenten heb je overal. De vakgroep is een kind van haar tijd. In de jaren zestig waren ineens een hoop mensen nodig. Die konden tegen een redelijk salaris meteen aan de slag zonder veel ervaring in de praktijk. Maar dat is bij bosbouw en levensmiddelentechnologie in Wageningen, medicijnen in Groningen en economie in Rotterdam niet anders. Het is een probleem van academisch Nederland.
Gedrevenheid
Ir Anneke Nauta van architectenbureau B+B uit Amsterdam kan zich de kritiek van het beroepsveld voorstellen. De opleiding is door de bezuinigingen bij de universiteit uitgehold. Er zijn te weinig mensen over om de studenten voldoende te stimuleren. Het valt me bijvoorbeeld op dat de studenten die hier komen, weinig weten; ze hebben niet veel gezien. Ik vergelijk dan met vroeger, maar ook met studenten uit het buitenland. De buitenlandse studenten hebben vaak een enorme inzet en gedrevenheid. Die mis ik bij veel Wageningse studenten.
Lodewijk van Nieuwenhuize van bureau H+N+S uit Utrecht mist bij de huidige afgestudeerden de diepgaande kennis van bijvoorbeeld bodemkunde en processen in de landbouw die afgestudeerden vroeger wel hadden. Volgens hem hinkt de opleiding op twee gedachten. Aan de ene kant wil ze studenten voldoende ontwerpervaring meegeven, aan de andere kant vindt ze de kennis belangrijk. Dat is moeilijk te verenigen in een opleiding van vier of vijf jaar. Je loopt het gevaar dat je daardoor van allebei net niks hebt.
De opleiding moet kiezen, meent Van Nieuwenhuize. Wij hebben het meest aan studenten die een technische opleiding hebben gehad op het hbo en daarna in de avonduren een opleiding volgen bij de academie voor bouwkunst. Ik zie in dat licht wel wat in een Wageningse opleiding Landschapsplanning, gevolgd door een tweedefaseopleiding Architectuur waar studenten leren ontwerpen.
Ir Marian van Hulsbeek haalde vorige week haar bul. Ze vindt niet dat de Wageningse studenten ongemotiveerd zijn, maar beaamt dat de docenten over het algemeen geen enthousiasme voor het vak kweken. Er lopen een aantal mensen rond die al jaren ingedut zijn. Die maken je niet erg enthousiast voor het vak. De docenten die wel wat willen, hebben vaak te weinig geld voor hun plannen. Ik ben wel erg enthousiast geraakt door mijn stage bij bureau Alle Hosper in Haarlem.
De ontwerpopdrachten die de studenten op de universiteit uitvoeren, sluiten volgens Van Hulsbeek niet aan bij de praktijk. Een opdracht waarin studenten een stadsgewestpark van vierhonderd hectare moeten ontwerpen, is niet realistisch. Dat is een kwart van de stad Utrecht. Ik vond het op het bureau veel leuker werken, omdat er meer discussie was over de plannen. De beslissingen werden genomen door een team. Tijdens mijn opleiding moest je iedere opdracht alleen doen. Het zou leuker zijn om regelmatig met een groep te werken.
Alleskunner
Tegelijk met Van Hulsbeek studeerde ir Arnout Kruishaar af. Hij liep stage bij een gemeente en denkt dat de ontwerpbureaus te veel verwachten van studenten. Het commentaar dat mensen niet direct inzetbaar zijn, kan wel kloppen, maar je moet ook bedenken dat je op stage bent om te leren. De bureaus willen alleskunners, dat is niet terecht. Studenten gaan in hun derde jaar op stage, dan kun je niet verwachten dat ze alles al weten.
Toch zou ook Kruishaar wel eens wat nieuwe gezichten willen zien bij de leerstoelgroep. Het is waar dat de staf er al jaren zit en de aansluiting met de praktijk mist. Er lijkt nu een kleine vernieuwing te komen, maar ik weet niet of dat van lange duur is. Het was de afgelopen jaren erg hectisch voor de vakgroep. Er moesten blokken komen, een vijfjarige opleiding. Daarom zijn een paar tijdelijke krachten aangetrokken. Het zou leuk zijn als er structureel een paar mensen uit de praktijk bijkomen, want zowel staf als studenten waren erg positief. Kruishaar wijst erop dat de arbeidsmarkt voor afgestudeerde landschapsarchitecten uit Wageningen goed is. Als er echt zoveel mankeerde aan de opleiding, zou dat wel anders zijn, denkt hij
Hoogleraar Kerkstra verklaart de kritische houding van de ontwerpbureaus vooral door het feit dat de beroepspraktijk zich sterk betrokken voelt bij de opleiding. Er is maar een kleine club landschapsarchitecten in Nederland. Die hebben een sterk wij-gevoel. Dat verklaart volgens Kerkstra waarom de opleiding landschapsarchitectuur meer kritiek krijgt dan andere opleidingen die ook kampen met een vergrijst docentenbestand
Kerkstra trekt zich de kritiek wel aan. Er zit natuurlijk wel een kern van waarheid in. Er lopen nogal wat mensen rond die hier al lang werken, waaronder ikzelf. Maar dat is niet alleen ons probleem. Dat is ook bij andere groepen zo.
Offerte
Volgens Kerkstra zit zijn groep midden in een vernieuwing. De opleiding is met het nieuwe vijfjarige programma flink veranderd. Er is meer aandacht voor het ambachtelijke werk, het echte ontwerpen. In het beroepsvoorbereidend blok wil hij studenten het hele ontwerpproces laten doorlopen, inclusief het schrijven van een offerte en het opstellen van een begroting voor het project. Aan het echte ambachtelijke werk mochten wij vroeger geen aandacht besteden, omdat het niet academisch genoeg was. Dat doen we nu weer meer. Bovendien nodigt de leerstoelgroep veel vaker dan vroeger architecten uit de praktijk uit voor colleges en practica. De bureaus zullen niet meteen wat merken van de veranderingen, de opleiding duurt nu eenmaal vijf jaar.
De hoogleraar zou graag meer contact houden met de bureaus door een roulerend docentschap; een baan die afwisselend door vijf lanschapsarchitecten uit de praktijk wordt vervuld. Dat is echter onmogelijk gemaakt door een afspraak tussen de vakbonden en het college van bestuur dat geen tijdelijk personeel mag worden aangesteld in plaats van vast personeel. Kerkstra hoopt nu de banden met de praktijk aan te halen door de architecten meer te betrekken bij gastcolleges en het nieuwe beroepsvoorbereidend blok
Meer inbreng van de ontwerpbureaus is volgens Kerkstra nodig, omdat ze de laatste jaren steeds belangrijker worden voor de opleiding. Vroeger gingen afgestudeerden in grote aantallen bij de overheid werken. Dat is veranderd nu de overheid steeds meer uitbesteedt.

Re:ageer