Wetenschap - 18 april 1996

Hoogleraren en functies

Hoogleraren en functies

De top van de Landbouwuniversiteit vindt dat er getransformeerd moet worden. Het voornemen van Ritzen om de vakgroepen en de universitaire democratie af te schaffen wordt met twee handen aangegrepen om maar weer eens aan het veranderen te slaan. Waarom? Heeft de basis daarom gevraagd? Functioneren de vakgroepen niet? Vervullen de sectorbureaus hun functie niet? Ligt er een strategisch plan ten grondslag aan deze reorganisatie, waarbij doeleinden en middelen goed op elkaar worden afgestemd en waarbij men tot de conclusie is gekomen dat een nieuwe organisatiestructuur op lange termijn veel beter zal gaan werken? Mij is op dat gebied niets gebleken. Hoogstens is me bekend dat de LUW een strategiedocument heeft geschreven waarin duurzaamheid in plaats van wetenschap centraal staat (maar waaruit zelf de meest geschoolde organisatiedeskundige niets kan afleiden) en dat men vrij recent de universiteit weer aardig heeft opgeschud door het aantal leerstoelen van 110 naar 90 terug te br
engen.

Bezuinigingen zijn - en worden - doorgevoerd met een masterplan onder het motto: een ieder moet wat inleveren. Onderzoekinstituten die eerst tot de speerpunten van het onderzoek moesten uitgroeien, zijn gewoon de opbergplaatsen van het huidige onderzoek. Onderwijsinstituten overkoepelen roc's met een nuttige (zo veel mogelijk overbodig onderwijs wegsnijden in een situatie waarin we zuinig met onze middelen moeten omspringen) en minstens een niet nuttige functie (weer de zoveelste bestuurslaag met functie, papier en vergadertijd).

Nu komen dus de sectoren aan de beurt. Nog geen zes jaar (?) terug - en na veel trammelant - ingesteld, tezamen met de clusters van vakgroepen. Destijds is nog een organisatiebureau ingehuurd om na te gaan welke functies centraal moesten blijven en welke decentraal beter zouden functioneren. Mij is geen evaluatierapport bekend dat het functioneren van de sectoren bekijkt, en dat dan liefst nog in vergelijking met een evt. zinvol alternatief. Wel is me bekend dat in ieder geval de sector Landbouw en samenleving naar vrijwel ieders tevredenheid functioneert. Onderwijs, onderzoek en beheer worden zonder al te veel problemen op elkaar afgestemd, de verliestijd is gering. Bij dat bureau heeft men ook geen tijd over om wilde ideeen over de organisatie onder de loep te nemen. Dat geldt kennelijk niet op het bestuursgebouw. Gedijt wetenschap het best wanneer men elke keer maar flink reorganiseert?

Volgens het WUB van donderdag 21 maart 1996 overweegt het college om de sectorbureaus op te heffen en daarvoor in de plaats rond twaalf a twintig departments in te stellen, met aan het hoofd daarvan evenzovele hoogleraren. Een onbeholpen stap in de richting van het Amerikaanse systeem? Daar werkt men (overigens in een heel andere structuur) met een head of department die op zorgvuldige wijze uit interne en externe kandidaten wordt geselecteerd. Daar zijn specifieke kwaliteiten voor nodig en die bepalen ook de keuze. Binnen het Wageningse systeem worden de rector magnificus, de voorzitters van vco en vcw de leden van het college van decanen, de voorzitters en directeuren van onderzoeksinstituten, voorzitters van onderwijsinstituten en dus straks ook nog ongeveer twaalf a twintig hoofden van departementen geselecteerd uit een beperkte groep van negentig mensen die daarvoor gedeeltelijk ongeschikt zijn en voor een deel veel betere dingen te doen he
bben en zeker niet zijn aangetrokken omdat zij integraal manager zijn.

Verder schijnt een deel van de hoogleraren uberhaupt niet te functioneren, is een aantal binnenkort toe aan het pensioen en zijn anderen nog niet ingewerkt of spreken geen Nederlands. Wat wil het college eigenlijk? Die anderhalve persoon die nog rondloopt en niet is overwerkt, ondergesneeuwd, beschadigd of bestuurlijk ingekapseld, moet dan kennelijk als hoofd van een departement met de overeenstemmingshoogleraren in de slag om nog eens uitgebreid over middelen, procedures en andere zaken te gaan overleggen. Verder moet men ook nog eens (een deel van) de functies van vijf sectordirecteuren overnemen.

Mijn voorstel is simpel. Laat de sectorbureaus functioneren. Zorg dat elk van deze sectorbureaus over een goed professioneel management beschikt. Laat hoogleraren zoveel mogelijk doen waar ze voor zijn: onderwijs en onderzoek. Zet een kleine premie op gering gebruik van het bestuursgebouw en van de sectoren, bijv. door middelen die men onderling verdeelt met een premiepercentage op te hogen. Verder wacht men op het bestuursgebouw rustig af wat de basis doet: die wordt binnenkort toch geconfronteerd met een financiele rekensom en elke leerstoelhouder zal - in onderling overleg met haar/zijn mensen - wel naar de beste oplossing zoeken. Men kan er echter ook voor kiezen om de beheerstaken samen met anderen te doen of aan de sector over te dragen: uiteraard tegen een vergoeding. Leerstoelhouders laat men om de vijf of zeven jaar verantwoording afleggen over het onderwijs en onderzoek van de betreffende groep en ook van eigen functioneren. Daarbij wordt rekening gehouden met extern
e (visitatiecommissies) en interne (onderwijs, VF) beoordeling, gebruikte middelen en geleverde prestatie. Jaarlijkse middelen worden via criteria toegedeeld: in principe per leerstoelgroep.

Wil men een andere benadering, ga dan echt over tot het instellen van departments met een zorgvuldig geselecteerde head of department. Omarm verder de uitgekristalliseerde principes van het Amerikaanse systeem: tenure (d.w.z. een vaste positie) na een zeer zorgvuldige afweging op basis van prestaties op het gebied van onderwijs en onderzoek. Salaris en rang overeenkomstig de resultaten die men boekt. Laat het aan de departments over of men de nogal logge onderzoeksinstituten/scholen wil handhaven. Schaf de onderwijsinstituten af: direct of (misschien nog beter) na wat sanering van die gigantische lijst van onderwijselementen die de LUW aan de studenten wil slijten. Maak departments verantwoordelijk voor tenminste een opleiding.

Ik geef toe dat de bovenstaande voorstellen niet goed zijn doorgedacht en zeker niet zijn uitgetest op hun organisatorische en juridische mogelijkheden in de Nederlandse context. Maar misschien past dat wel in de stijl waarin de top van de LUW momenteel opereert. In Wageningen doet men het bovendien nog wat rustiger aan dan bij de Universiteit van Amsterdam, die kennelijk met een vertraging van meer dan 25 jaar de gevolgen van de Maagdenhuisbezetting volledig wil verwijderen door over te willen stappen naar de geldgestuurde universiteit. Zelf voel ik het meeste voor het eerste voorstel: het ligt dichter bij onze huidige traditie, haalt veel minder overhoop en lijkt me ook wat aangenamer werken. Dat laatste lijkt me een belangrijk criterium voor een goed functionerende organisatie.

Re:ageer