Wetenschap - 9 maart 1995

Hoe Nederland de wereld veroverde en weer achterop raakte

Hoe Nederland de wereld veroverde en weer achterop raakte

Van der Woude en De Vries schrijven handboek over Gouden Eeuw

De tijd die achter ons ligt was van goud, stelde prof. dr A.M. van der Woude vorige week tijdens het landbouwdebat. Ongetwijfeld dacht de historicus ook aan de Gouden Eeuw, die centraal staat in zijn opus magnum over de opkomst en stagnatie van Nederland als centrum in de wereldeconomie. Een negenhonderd pagina's dikke analyse over turf als economische motor, Nederland distributieland en een funest begrotingstekort. De geschiedenis herhaalt zich, maar nooit op dezelfde manier."


Helaas kan kroonprins Willem Alexander, voormalig student Geschiedenis te Leiden, het eerste exemplaar niet in ontvangst nemen. Desondanks belooft de presentatie van het boek Nederland 1500-1815; de eerste ronde van moderne economische groei op 18 maart een mijlpaal in de vaderlandse geschiedschrijving te worden. LUW-hoogleraar Ad van der Woude, die het boek schreef samen met zijn Amerikaanse collega Jan de Vries (Berkeley), beleeft dan ook zijn finest hour: veel telefoontjes van collega's en belangstelling van kwaliteitskranten.

De hoogleraar Agrarische geschiedenis en De Vries werkten zo'n tien jaar aan het 900 pagina's tellende boek - lijvig maar prettig leesbaar. De Vries, reeds in 1947 naar de VS geemigreerd, kwam met de LUW in contact via het werk van Slicher van Bath, Van der Woude's voorganger en internationaal vermaard representant van de Wageningse school.

Deze school verrijkte de Nederlandse geschiedschrijving zo'n veertig jaar geleden met de benadering van de Franse structuralisten, de Annales. Zij wilden de geschiedenis niet langer beschrijven aan de hand van politieke processen en evenementen - de gedateerde veldslagen uit de middelbare schoolboeken. Nee, het ging om een brede interpretatie van het historisch proces en daarvoor moesten geografische, sociale en economische factoren kwantitatief worden vastgelegd.

Deze beschrijvende aanpak werd vervolgens geattaqueerd door de Amerikaanse stroming New economic history, die de voortkabbelende geschiedenis aan moderne markttheorieen wilde toetsen. Niet de staat en instellingen kregen de aandacht, maar de markt, want de homo economicus was van alle tijden. Deze stroming, waar De Vries een exponent van is, werd in het boek vervlochten met de Annales-aanpak van Van der Woude.

Noviteit

Zo wordt de Gouden Eeuw tegemoet getreden; de tijd van Jan Pieterszoon Coen, Rembrandt van Rijn, Verenigde Oostindische Compagnie en Tachtigjarige Oorlog. De auteurs wilden aanvankelijk een handzaam overzichtswerkje schrijven, maar kwamen tijdens hun dataverzameling tot een nieuwe kijk op de zeventiende eeuw. Historici hebben altijd aangenomen dat de moderne economische groei begon met de Industriele revolutie, rond 1800 in Engeland. Maar beide geschiedkundigen betogen dat hier al sprake van was in de Republiek der Zeven Provincien - een noviteit in de wetenschap.

Het grote verschil met de economische bloei in Italie en Portugal in de vijftiende en zestiende eeuw is dat die bloei van tijdelijke aard was", stelt Van der Woude. Daar werd geen technologie en infrastructuur ontwikkeld en de produktieniveaus zakten in Italie weer terug aan het eind van de Middeleeuwen. Men noemt dat een failed economic transition."

De econoom Rostov onderscheidt bij de economische ontwikkeling vijf fasen. De kernfase is de take off, het opstijgen. Daarna moet een economie voldoende vaart houden om in de lucht te blijven. Welnu, Italie is nooit van de grond losgekomen. Dat kwam onder andere door de primitieve staat van de landbouw, de grondbezitverdeling en de uitbuiting van het platteland door de stad."

Nederland had echter een welvarend platteland in de zestiende eeuw. Tekenend was de lage participatie in de landbouw. Overal in Europa werkte zo'n 75 procent van de bevolking in de landbouw; slechts tien procent woonde in de stad. Maar in Nederland woonde aan het eind van de Middeleeuwen al 45 procent van de bevolking in steden, en dat loopt op tot 60 procent in 1650. Dan is slechts twintig procent agrarier, de rest van het platteland werkt in de vrachtvaart, de visserij, de weverij etcetera. Na 1650 neemt de participatie in de landbouw weer toe; de betekenis van de industriele sector neemt af."

Stapelmarkten

Dan vindt tevens een de-urbanisatie plaats; het percentage inwoners in steden zakt. Dat was toen een algemeen Europees verschijnsel; de produktie werd verplaatst van hoge-lonen-gebieden naar lage-lonen-gebieden. De stad is immers altijd duurder dan het platteland, gelet op belastingen en transportkosten van voedsel. Dit luidt de opkomst in van textielbaronnen in Twente en Helmond en de wolnijverheid in Tilburg. Die ontwikkeling is vergelijkbaar met de hedendaagse produktie verschuiving naar Azie. De geschiedenis herhaalt zich, maar nooit op dezelfde manier."

Een uniek verschijnsel in de economische ontwikkeling van Holland in de zeventiende eeuw was het ontstaan van stapelmarkten. Het vorige economische centrum, Antwerpen, had jaarmarkten. De Amsterdamse kooplieden haalden produkten uit de Oostzee, of Zuid-Europa en brachten ze vervolgens naar die jaarmarkten. Voor een geregelde aanvoer en het ondervangen van misoogsten was een buffer vereist, er moest worden gestapeld. Zo ontstond Nederland als distributieland."

Bovendien ging Nederland in de zeventiende eeuw bulkprodukten verwerken, omdat men beschikte over energie in de vorm van turf, water en wind. Er ontstaan allerlei industrieen, zoals houtzaagmolens die hout uit Scandinavie importeren en het in gezaagde vorm uitvoeren. Ook werd hier zeezout uit Zuid-Europa en suiker uit Frankrijk verwerkt, omdat wij over voldoende energie beschikten."

Turf was heel belangrijk. Het was minder zwaar dan hout - voorheen het belangrijkste energiegewas - en daardoor gemakkelijk per schip vanuit het binnenland naar de industrie in de stad te vervoeren."

Tot 1650 ging het Nederland voor de wind, maar daarna zakt het in. Een belangrijk probleem was de staatsschuld. In het begin van de economische ontwikkeling komt veel buitenlands kapitaal binnen in Nederland; vooral van Antwerpse handelaren, die door de Spaanse bezetter zijn verjaagd. Daarmee wordt een deel van de handel en industrie gefinancierd. In de zeventiende eeuw gingen de Zeven Provincien het achterland van Holland ontwikkelen; vaarwegen voor de turf, de drooglegging van polders, etc. Het kapitaal daarvoor werd via uitgifte van waardepapieren verkregen; ook nieuw in die tijd."

Walvisvaart

Toen het economisch minder ging, ontstond een staatsschuld. Voor de aflossing van haar leningen, verhoogde de staat de belastingen. De bevolking werd armer, terwijl de eigenaren van schuldpapieren steeds rijker werden. Bovendien werden steeds riskantere ondernemingen gefinancierd, zoals de walvisvaart. Die bleek niet erg rendabel; je wist nooit of je in de Noordelijke IJszee een walvis tegenkwam."

Ook de VOC, de Verenigde Oostindische Compagnie, werd minder rendabel. De VOC was de oudste aandelen-maatschappij. De staat had de organisatiestructuur opgelegd - het was een monopolie om risico's te beperken - en het kapitaal kwam van particulieren. De winst werd voortdurend in de produktie gestoken, maar na 1680 viel de winstgevendheid weg. De Compagnie was de belangrijkste schakel in de inter-Aziatische handel; het vervoer van Japans goud en zilver was cruciaal. Toen Japan dit beeindigde, zocht de VOC naar alternatieven in vergroting van de omzet en startte de handel in koffie, thee en porcelein, maar dat was eigenlijk een winstloze groei."

Omdat de walvisvaart en de VOC minder rendeerden, gingen kapitaalverschaffers steeds vaker in buitenlandse staatsschulden investeren. Amsterdam wordt daarmee het financiele centrum van Europa. Er wordt geld gemaakt met geld, maar tegelijkertijd stagneren de produktie en werkgelegenheid. Er zijn duidelijke overeenkomsten met het heden; nu gaat het met de banen nog het best in de verzekerings- en bankwereld."

De terminale fase van de economie ontstaat eind achttiende eeuw. De Vierde Zeeoorlog met Engeland in 1870 had erg veel geld gekost en de handel valt stil door de oorlog. En toen Frankrijk daarna ons land bezette, moesten we als dank hun verovering betalen. De staatsschuld werd zo hoog, dat de overheid nog slechts eenderde van haar schuld kon aflossen. Eigenlijk was de staat failliet. Rijke kooplui en regenten, die de schuld hadden gefinancierd, moesten hun kapper, tuinman, koetsier en meubelmaker ontslaan; de werkgelegenheid nam af. Zie de parallel met nu: het kabinet wil de staatsschuld aflossen, wat nadelig uitpakt voor de werkgelegenheid."

Opus magnum

De opkomst en stagnatie van de economie blijkt ook uit prijsontwikkelingen. Zo bedroeg de pachtprijs in 1550 veertig eenheden, groeide in 1650 naar 105 eenheden en viel daarna terug tot 35 eenheden in 1750." Met dergelijke gegevens duiden de onderzoekers de seculaire trend, het lange-termijnproces in de economie. Leiden was een ander prachtig voorbeeld: In 1650 was het met haar zestigduizend inwoners de op een na grootste industriestad van Europa, maar in 1750 wonen er nog dertigduizend mensen. Verder trok de textiel naar Twente. Weliswaar blijft de handel met het Europese achterland bestaan, maar Engeland wordt het centrum van Europa en de wereld."

De opbloei na 1850 valt weliswaar buiten het werk, maar ook in deze periode, weet Van der Wouden, is een duidelijke seculaire trend zichtbaar: de gestage economische groei, de groei van de Europese bevolking en de stijging van de graanprijzen. Het zijn juist deze trends, ontleend aan omvangrijke demografische en kwantitatieve analyses van beroepstakken, die de Wageningse school typeren. En de jongste omvangrijke pennevrucht is dan ook de weerslag van dertig jaar Wageningse agrarische geschiedenis, meent Van de Woude.

Het opus magnum komt overigens op een kritiek moment; de leerstoel Agrarische geschiedenis staat ter discussie. De vakgroep geeft te weinig onderwijs, luidt de redenatie van het college van bestuur. Afgelopen jaar mikten de economen het geschiedenisvak uit hun studie. Vroeger was geschiedenis een wezenlijk onderdeel van de economie, maar met Schumpeter - de economie bestaat uit theorie, statistiek en geschiedenis - kwam die benadering aan zijn eind. Tegenwoordig ligt de nadruk op rekenwerk en deeloplossingen; het wordt kleiner en specifieker. Je ziet het ook bij de sociologen: na Weber en Hofstee raken de grote verbanden uit het oog. Men ging zich te uitsluitend concentreren op micro-vraagstukken. De Vries en ik hopen nu in ons boek wel die brede macro-benadering van de samenleving te hebben vastgehouden."

Re:ageer