Wetenschap - 22 oktober 1998

Het waterhoentje van Tristan da Cunha

Het waterhoentje van Tristan da Cunha

Het waterhoentje van Tristan da Cunha
Albert Beintema probeert raadsel over vogelsoort op te helderen
De bewoners van Tristan da Cunha zijn trots op hun eiland met zijn prachtige dieren- en plantenleven, maar er is een diersoort die ze liever kwijt dan rijk zijn: de waterhoen. Het gevederde beest, dat de populaire albatros zou lastig vallen, zou afkomstig zijn van een nabijgelegen eiland. Albert Beintema van het IBN-DLO denkt echter dat het waterhoen van Tristan da Cunha inheems is en daarom juist bescherming behoeft. DNA-onderzoek van de LUW-sectie Veefokkerij moet uitsluitsel geven
In 1993 zette dr Albert Beintema voet aan wal op het eiland waar hij al sinds zijn jeugd van in de ban is: Tristan da Cunha. Gelegen op 37 graden zuiderbreedte en duizenden kilometers verwijderd van zowel het Afrikaanse als het Amerikaanse continent, rijst de ruim tweeduizend meter hoge vulkaankegel op uit het donkerblauwe water van de Atlantische Oceaan. Gedreven door een verlangen om een decennia-oud raadsel op te lossen, beklom Beintema de steile, zwartgekleurde kliffen van het eiland en baande zich een weg door het dichte struikgewas. Met gids en speurhond zocht hij het tien bij tien kilometer grote eiland af naar het waterhoentje, een zwartbruine vogel met een rode snavel, die niet kan vliegen, maar razendsnel is op zijn lange poten. Het kostte Beintema grote moeite er een te vangen. De hond wist twee exemplaren te bemachtigen en beet ze dood
Beintema nam de dode waterhoentjes mee naar Nederland. Met behulp van DNA-onderzoek kan misschien bewezen worden wat hij al lang vermoedt, namelijk dat ze afstammen van het oorspronkelijke waterhoentje dat eeuwenlang op Tristan da Cunha heeft geleefd. Die opvatting druist in tegen die van de eilandbewoners, die veronderstellen dat de vogel afkomstig is van het eiland Gough, vierhonderd kilometer naar het zuidoosten
Archieven
De dieren werden in 1861 als nieuwe soort beschreven voor Tristan da Cunha, maar werden voor het eind van de vorige eeuw al als uitgestorven beschouwd op dit eiland. Slechts twee huiden zijn bewaard gebleven in het British Museum in Londen. In 1891 werd op het eiland Gough een nieuw waterhoen ontdekt dat als twee druppels water leek op dat van Tristan. In 1957 heeft een Engelsman opzettelijk enkele waterhoentjes van Gough uitgezet op Tristan da Cunha. Hieruit zou de huidige populatie van een kleine duizend exemplaren zijn voortgekomen. Het feit dat de vogels op beide eilanden uiterlijk niet verschillen, lijkt deze theorie te bevestigen. Maar ook de oorspronkelijke hoentjes van Tristan waren niet van die van Gough te onderscheiden. Een geheel andere theorie is dan ook dat het waterhoentje van Tristan da Cunha nooit heeft bestaan en dat die twee huiden in het British Museum ook van Gough komen, maar per ongeluk een verkeerd etiketje hebben gekregen
In de jaren zeventig besloot Beintema de waarheid boven tafel te halen. Als biologiestudent aan de Universiteit van Amsterdam deed hij literatuuronderzoek naar de geografie van de zeevogels van Tristan da Cunha. Speurend in oude archieven ontdekte hij dat er al in de achttiende eeuw waterhoentjes waren gesignaleerd op Tristan. In 1792 trof een walvisvaarder ze aan en in 1818 nam een Engelse soldaat er twee mee naar het London Museum. De beesten zijn geveild in een gigantische auction sale. Aan de hand van ooggetuigenverslagen heeft Beintema het waterhoentje naar eigen zeggen gerehabiliteerd. Tristan da Cunha is het native gebied van dit waterhoen.
Beintema denkt wel dat de waterhoentjes ooit konden vliegen. In een ver verleden zouden ze zijn neergestreken op zowel Tristan da Cunha als Gough. Na verloop van tijd verloor de soort zijn vliegvermogen, maar dit was een voordeel, meent Beintema. Het ontwerp van een vogel vergt veel energie. Vogels vliegen veel duurder dan zoogdieren lopen. Als het vliegvermogen wegvalt, kan het dier sneller groeien, zodat het beter bestand is tegen slecht weer of voedselschaarste. Een ander voorbeeld is de pinguin, die zijn vleugels gebruikt om te zwemmen. Zo klungelig als hij is op het land, zo elegant is hij in het water. Als er geen predatoren zijn, zijn vleugels minder belangrijk om snel weg te vluchten. Vogels die vanuit een continent een eiland koloniseren, verliezen vaak hun vliegvermogen, zoals de dodo op Mauritius en het waterhoen op Tristan da Cunha.
Wreed
Er ontstaat echter een probleem wanneer nieuwe predatoren de kop op steken. In de negentiende eeuw is het waterhoen van Tristan da Cunha al bijna uitgeroeid door honden en katten, ingevoerd door kolonisten. Terwijl biologen het waterhoen op handen dragen, zijn de bewoners van Tristan da Cunha er minder door gecharmeerd. Beintema kreeg tijdens zijn bezoek te horen hoe wreed en slinks het waterhoen wel niet is. Het beest zou de geliefde geelsnavelalbatros bedreigen. Het idee is dat een waterhoen recht afstormt op een albatros die haar eieren bewaakt. Een ander waterhoen besluipt het doelwit van achter en pikt de eieren kapot als de albatros opstaat ter verdediging.
Volgens Beintema komen dit soort acties niet in de natuur voor. Als ze de kans krijgen, eten waterhoenen inderdaad dooie kuikens en eieren die in de steek zijn gelaten. Dat het roven van eieren op grote schaal voor zou komen, is echter folklore, zegt Beintema. De eilanders, afstammelingen van schipbreukelingen en avonturiers, zijn erg op zichzelf. Ze geloven eerder hun voorvaderen dan buitenstaanders. Tegen mij zeiden ze: Je bent niet van dit eiland dus je kunt het niet weten.
Als het aan de eilanders ligt, verdwijnt het waterhoen dus in de diepte van de oceaan. Op het moment worden de beesten volgens Beintema niet afgeschoten. De eilanders, zo'n driehonderd in getal, wonen op plateaus aan de rand van het eiland en komen niet veel in het hoger gelegen onherbergzame leefgebied van de waterhoen. Een steile, zeshonderd meter hoge klifwand is een grote barriere. De begroeiing bestaat hier uit dicht struikgewas, een goede dekking voor de waterhoentjes
De eilandbewoners beweren nu dat het waterhoen niet thuishoort op Tristan da Cunha en een bedreiging vormt voor de geelsnavelalbatros. Om dit eerste argument te weerleggen en zodoende de kans op uitroeiing van het waterhoen te verkleinen, kan genetisch onderzoek uitkomst bieden. Beintema: Stel, we vinden een duidelijk genetisch verschil tussen het waterhoen van Tistan da Cunha en dat van Gough, dan verdient het beest op Tristan da Cunha bescherming.
DNA
Beintema heeft hulp gekregen van prof. dr ir Pim Brascamp van de leerstoelgroep Fokkerij en genetica, wiens groep al jaren DNA-onderzoek doet met kippen en varkens. Brascamp: We gaan het genetische materiaal vergelijken van Beintema's waterhoenen en dat van de waterhoenen afkomstig van Gough, die in Artis rondlopen. Met zogenaamde microsatellieten kunnen we het DNA, dat in iedere cel aanwezig is, in beeld brengen in de vorm van kolommen met allerlei kleuren. Zogenaamde genetische merkers zijn te zien, bepaalde stukken van het DNA met eigenschappen die typerend zijn voor een bepaald dierenras of -populatie. Hiermee kunnen we nagaan of het waterhoen van Tristan da Cunha tot een unieke populatie behoort. We zijn op zoek naar een afstudeervakker die hieraan wil werken. Als we bemoedigende resultaten krijgen, vragen we het British Museum in London om een veertje van zo'n waterhoentje van Tristan uit 1861, en onderzoeken we of het huidige waterhoen hierop lijkt.

Re:ageer