Wetenschap - 29 oktober 1998

Het schoonste, edelste en beste koren dat men schier met ooghen mocht aensien

Het schoonste, edelste en beste koren dat men schier met ooghen mocht aensien

Het schoonste, edelste en beste koren dat men schier met ooghen mocht aensien
Priester herschrijft de Zeeuwse landbouwgeschiedenis
Niet alleen de Zeeuwse elite uit de negentiende eeuw vond de Zeeuwse boer achterlijk en conservatief, ook landbouwhistorici dachten dit lange tijd. Dr Peter Priester geeft in zijn boek Geschiedenis van de Zeeuwse landbouw een herwaardering van de Zeeuwsche tarweteelt. Met zijn kwantitatieve benadering en uitvoerige bronnenstudies past het boek uitstekend in de Wageningse landbouwhistorische school
De Zeeuwse boer is conservatief en achterlijk, vond de Commissie van Landbouw in 1835, en met hen vele andere hoge heren. Volgens de Zeeuwse elite waren de boeren te eenzijdig gericht op akkerbouw en hielden ze te weinig vee. Ze zouden zich meer moeten richten op vee en voedergewassen. De daaruit voortvloeiende hogere mestopbrengst zou leiden tot betere gewasopbrengsten. In Engeland en Duitsland had dit Engelsch systema zijn kracht bewezen. Dat Zeeuwse boeren dit goede voorbeeld niet volgden, lag volgens de Walcherse herenboer Pieter Pous aan de dwaze gehechtheid der landlieden aan het oude, omdat het oud is, en voorvaderlijke, omdat hunne voorvaders zoo en niet anders deden
Dit negatieve beeld voert ook in de geschiedenis van de Zeeuwse landbouw de boventoon. De Wageningse studies van M.J. Boerendonk in 1935 en P.J. Bouman in 1946 zijn bijvoorbeeld voor een groot deel gebaseerd op de verslagen en archieven van de Commissie van Landbouw. De bronnen die dr Peter Priester voor zijn boek Geschiedenis van de Zeeuwse landbouw raadpleegde, ontkrachten en nuanceren deze visie echter
Priester deed in opdracht van de Stichting Historisch Onderzoek Zeeland onderzoek naar de provinciale landbouwgeschiedenis. Het onderzoek maakt deel uit van de derde geldstroom van de leerstoelgroep Agrarische geschiedenis van prof. dr Ad van der Woude, die Priester met raad en daad terzijde stond
Dat Priester tot andere conclusies komt dan zijn voorgangers, ligt aan de kwantitatieve benadering van zijn Geschiedenis van de Zeeuwse landbouw. Die aanpak is typerend voor wat je de Wageningse landbouwhistorische school zou mogen noemen. Priester noemt zelf de Wageningse historici dr ir Jan Bieleman en dr ir Henk Roessingh als inspiratiebronnen, maar ook Van der Woude en dr Anton Schuurman doen onderzoek dat een belangrijke bijdrage levert aan de vernieuwing van de landbouwgeschiedenis. Met gedetailleerd bronnenonderzoek en veel interesse voor kwantitatieve gegevens komen zij tot een beeld van het platteland waarin boeren naar voren komen als voorzichtige vernieuwers die wel degelijk rekening hielden met economische, sociale en ecologische omstandigheden
Zee
De belangrijkste bron voor Priester is de administratie van de tiendheffing, een belastingvorm waarbij een tiende deel van de geoogste tarweschoven door de kerk en later de overheid werd geind. De administratie leverde gedetailleerde gegevens over de grootte van boerderijen, pachtprijzen, de prijs van de twee belangrijkste gewassen tarwe en meekrap, opbrengsten, lonen, belastingen en waterschapslasten. Priester schrijft daarmee geen smeuig verhaal, maar een gedegen en uitvoerig overzicht van de Zeeuwse boeren, die in zijn ogen in 1910 even kapitalistisch en commercieel waren ingesteld als in 1600
De natuurlijke omstandigheden waaronder de Zeeuwse boer moest boeren, waren uniek in Nederland. Nergens heeft de zee een zo grote invloed uitgeoefend. Overstromingen, verzilting en inklinking van de bodem, maar ook de vierhonderd polders die tussen de zestiende en de twintigste eeuw werden drooggelegd, bepaalden het karakter van de Zeeuwse landbouw. De zware zeeklei kon bijvoorbeeld alleen met een groot aantal paarden worden bewerkt, stelt Priester, en omdat paarden alleen op grote bedrijven konden worden gehouden, verrezen in de nieuwe polders dus bijna uitsluitend kapitale boerderijen. Dat runderen in Zeeland als een noodzakelijk kwaad werden beschouwd, kwam door het brakke grondwater. Er was gewoonweg niet voldoende zoet drinkwater om de runderen te laven
Schrepel
Boeren pasten zich aan deze omstandigheden aan door een intensieve bewerking en een optimaal gebruik van het land. Nergens wordt hier te lande meer gewied en geschrepeld dan in Zeeland, schreef de landbouwkundige W.C.H. Staring rond 1870 in een beschrijving van de Zeeuwsche tarweteelt. Met de Zeeuwse voetploeg, het molbord, de eg, het rolblok, de boerenwagen, de driewielkar, het zaadzeil, de windmolen, de zeef, de sikkel en de vlegel was de schrepel een van de belangrijkste boerenwerktuigen. Met dit handhakje wiedden boerenknechten de klaprozen, korenbloemen, kamille en herik uit de graanakkers, zodat die zuiver zaaizaad opleverden en er meer voeding in de bodem overbleef voor de tarwe. Dat de tarwe van goede kwaliteit was, blijkt uit de opmerkingen van de Italiaanse diplomaat Lodovico Guicciardini, die in 1567 sprak van het schoonste, edelste en beste koren dat men schier met ooghen mocht aensien
Niet conservatisme en achterlijkheid remde de vooruitgang in de Zeeuwse landbouw, maar de wet van de remmende voorsprong. Priester schetst een voorlijke Zeeuwse boerenstand die zich de kop niet gek laat maken door voorbeelden uit het buitenland, maar op eigen merites beoordeelt hoe de akkers worden bebouwd. Dat de boeren pas opzienbarende vooruitgang boeken bij de introductie van technologische vernieuwingen als kunstmest, nieuw zaaigoed en stalen werktuigen, ligt juist aan het optimale gebruik van de bodem in het eigen landbouwstelsel

Re:ageer