Wetenschap - 16 februari 1995

Het leerstoelenplan en het onderwijs van de LU

Het leerstoelenplan en het onderwijs van de LU

In de visie van het College van Bestuur hoort de Agrarische Onderwijskunde niet meer tot de core-business van de Landbouwuniversiteit. Aanleiding om het onderwijs van de LU, ongetwijfeld core-business, eens nader te bezien.

1) Noodzaak van nieuwe onderwijsinhoud en -vorm. De LU wil afgestudeerden afleveren die bij het oplossen van problemen of het verbeteren van (bedrijf)situaties de ecologische, sociale, landbouwkundige en omgevingsinteracties kunnen onderkennen, afwegen en waarderen. Deze toepassingsgerichte LU-ingenieurs moeten kwaliteiten hebben om als schakel in besluitvoorbereiding, -vorming en de uitvoering van besluiten te functioneren. Werkgevers geven aan dat LU-afgestudeerden wel veel weten maar weinig kunnen; het ontbreekt hen aan de houding en de vaardigheden om de kennis produktief te maken. Overigens, wetenschappelijk onderzoekers zullen zich deze houding en vaardigheden eveneens in de LU-opleiding moeten eigen maken. Afgestudeerden zelf vinden ook dat zij deze kwaliteiten onvoldoende hebben kunnen verwerven. Aan professionele vaardigheden als activiteitenplanning, analyse en gebruik van informatie, oordeels- en besluitvorming, compact schrijven, zakelijke gesprekken voeren
, persoonlijke presentatie, sociale interactie en leiderschap wordt in de studie onvoldoende aandacht besteed. Bovendien verdient de relatie tussen het vakgebied, de maatschappelijke context en hierin voorkomende problemen meer aandacht. Nieuwe onderwijsvormen, waarin problemen, cases en opdrachten centraal staan, moeten een belangrijke bijdrage gaan leveren aan de opleiding van de LU-ingenieur van de toekomst. De aandacht voor een ander type onderwijs vraagt onderzoek naar deze onderwijsvormen en de veelal disciplinair gerichte docenten hebben hier de ondersteuning nodig van onderwijskundigen.

2) Toenemende vraag naar korte, effectieve cursussen. Wetenschap en samenleving veranderen snel. Dit proces zal door de groeiende rol van informatietechnologie worden versterkt. Veel van de kennis binnen een opleiding is binnen een termijn van vijf jaar vakinhoudelijk verouderd. De LU zal zich in haar opleiding meer moeten toeleggen op datgene wat minder verouderingsgevoelig is: methoden van aanpak van problemen, wetenschappelijke wijzen waarop situaties worden geanalyseerd, werkwijzen waarmee de academicus zichzelf telkens bijschoolt. De afgestudeerden (en niet alleen de eigen afgestudeerden) zullen behoefte hebben aan een specifieke bijscholing teneinde vakinhoudelijk bij te blijven. Dit betekent niet alleen een groter aanbod van LU-cursussen en korte opleidingen, maar ook nieuwe onderwijs- en opleidingsvormen (in-service opleidingen, summer-schools, opfris-cursussen etcetera).

3) De veranderende onderwijstaak van docenten. De LU heeft al jaren het voornemen om de onderwijstaak van docenten beter te waarderen en om duidelijke eisen te stellen aan de onderwijskundige vorming van docenten. Docenten zullen in de nabije toekomst een andere rol krijgen in het onderwijsproces. Niet meer primair kennis overdragen, maar studenten begeleiden in het werken met vakinhouden. De contacttijd zal benut worden om studenten te leren hoe ze effectief kunnen studeren en te leren werken met de kennis. Studenten moeten met de vakkennis praktijksituaties kunnen analyseren, knelpunten aangeven, maatregelen ter verbetering kunnen ontwerpen. Dit vergt andere onderwijsvormen dan het traditionele hoorcollege, vormen waarin studenten meer actief zijn. Opdrachten, cases en problemen zullen een steeds belangrijker rol gaan spelen. Bovendien krijgen de docenten te maken met een meer diverse groep van studenten: doorstromers, buitenlandse studenten, mensen van uiteenlopende achtergrond die
open onderwijs volgen, deelnemers aan TEMPUS en ERASMUS programma's.

4) Studeerbaarheid en kwaliteit van de opleiding. Financiele en wettelijke randvoorwaarden hebben een groot effect op het onderwijs. Oud-staatssecretaris Cohen spreekt van een geloofwaardigheidscrisis, waarin de universiteiten zich bevinden. De LU zal met een krimpend budget opleidingen moeten verzorgen die binnen de programmaduur van vier (of vijf) jaar afgerond kunnen worden. Studeerbaarheid is een belangrijk criterium. Studenten moeten ook bijtijds een oordeel krijgen over hun geschiktheid voor de betreffende studie.

De noodzaak van een nieuwe onderwijsinhoud en -vorm, de toenemende vraag naar korte effectieve cursussen, de integratie van de informatietechnologie, de veranderende taak van de docent en de aandacht voor de studeerbaarheid en kwaliteit van de opleiding vragen om versterking van het onderwijskundig onderzoek en brengen een grotere vraag naar ondersteuning van docenten en mogelijk zelfs participatie van onderwijskundigen in multidisciplinair opgezette vakken. In het licht van deze ontwikkelingen, die het LU-onderwijs van de toekomst bepalen, is het bijzonder vreemd dat de deskundigheid die in het onderwijs en onderzoek van de vakgroep Agrarische Onderwijskunde op dit terrein is opgebouwd, op de tocht wordt gezet.

De voorstellen voor het leerstoelenplan komen van de clusterbesturen en het ligt voor de hand dat deze in het bijzonder kijken naar de voor hun aandachtsgebied belangrijke leerstoelen. De clusteroverstijgende leerstoelen dreigen tussen wal en schip raken. Dit is het geval met de leerstoel Agrarische Onderwijskunde en met enkele fundamentele leerstoelen en het is voorspelbaar dat bij verdere bezuinigingen ook de basissteunvakken in deze situatie zullen komen. Zo leidt de aandacht voor de core-business gemakkelijk tot een holle kern.

Re:ageer