Wetenschap - 19 februari 1998

Het is stil rond de Wageningse landschapsarchitectuur

Het is stil rond de Wageningse landschapsarchitectuur

Het is stil rond de Wageningse landschapsarchitectuur
De Visser beschrijft de geschiedenis van de landschapsbouw
De Wageningse landschapsarchitectuur heeft veel invloed gehad op de inrichting van Nederland. In het boek Het landschap van de landinrichting biedt landschapsarchitect Rik de Visser een blik op een wetenschap die via ruilverkavelingen half Nederland vorm gaf. Het boek werpt vragen op over de huidige en de toekomstige positie van de Wageningse landschapsarchitectuur. Prominente vakgenoten van De Visser geven hun visie op de tanende invloed van de Wageningse school
De Visser schetst in zijn boek de ontwikkeling van de landschapsbouw van een decoratief instrument bij de eerste ruilverkavelingen tot een integraal plannings- en besluitvormingsproces. De Wageningse landschapsarchitectuur neemt in de huidige discussies rond landinrichting een bescheiden plaats in. Spraakmakende visies op grootschalige projecten als het Groene Hart, de hogesnelheidslijn en de Betuwelijn komen van particuliere bureaus als H+N+S, West 8 Landscape, B+B en Vista. De Visser laat zien dat Wageningen de bakermat was van de huidige landschapsarchitectuur, maar vraagt zich af hoe groot die invloed op dit moment nog is
Grondlegger van de Wageningse benadering van landinrichting was J.T.P. Bijhouwer, lector aan de Landbouwhogeschool. Samen met houtvester G.A. Overdijkink van Staatsbosbeheer legde hij bij de planvorming voor de Zuiderzeepolders de grondslag voor een landschapsarchitectonische bijdrage aan de inrichting van agrarische landschappen. Bijhouwer introduceerde twee noviteiten in de Nederlandse planologie, die bepalend zouden zijn voor de ontwikkeling van de landschapsarchitectuur. Zo pleitte hij reeds in 1934 voor natuurbouw, hoewel hij besefte dat behoud makkelijker te realiseren is dan het scheppen van nieuwe schoonheid. Daarnaast propageerde Bijhouwer de bodemkunde als een belangrijke wetenschappelijke grondslag voor landschappelijke planning
Staatsbosbeheer was vanaf het begin de omgeving waarin Wageningse landschapsarchitecten zich konden profileren. Volgens De Visser was Staatsbosbeheer een instelling die de landschapsplanning traditioneel benaderde als een integraal proces, waarin natuurbeheer, cultuurtechniek en landbouw samen kwamen. De functionalistische Wageningers waren volgens De Visser bij uitstek geschikt als begeleiders van dit proces, omdat ze een brede kennis hadden van de landbouw, geloofden in de maakbaarheid van het landschap, en interdisciplinair konden werken
Cultuurpessimisme
Tot de jaren vijftig ontwikkelde de landschapsarchitectuur zich tot een instrument waarmee ruilverkavelingen werden vormgegeven. Daarna zorgde de economische groei in de jaren zestig voor de bouw van grotere landbouwbedrijven in de IJsselmeerpolders, een toenemende industrialisatie en verstedelijking
Daarnaast nam de behoefte aan recreatie toe. Hierdoor werd de landschapsverzorging geconfronteerd met een ruimteprobleem dat niet met de oude verzorgings- en vormgevingsbenadering kon worden opgelost. Recreatieve elementen moesten worden ingepast, gebouwd, in het bestaande agrarische landschap. Daarom introduceerde Staatsbosbeheer in 1963 de term landschapsbouw, naar het bekendere stedenbouw. De landschapsbouw stond aan het eind van de jaren zestig direct voor een zware taak, want een kritische terugblik op de enorme wijzigingen die het landschap had ondergaan, leidde tot cultuurpessimisme over het verdwenen cultuureigendom en natuurschoon, en daarmee tot een verharding van de standpunten van deelbelangen als natuurbeheer en landbouw
In de jaren zestig en zeventig zorgden de hoogleraren M.J. Vroom en N.M. de Jonge voor een versterking van de band tussen Staatsbosbeheer en Wageningen. Met hen deed de verwetenschappelijking van de landschapsbouw haar intrede. Steeds meer Wageningse afgestudeerden vonden hun weg naar Staatsbosbeheer. Volgens De Visser is De Jonge de laatste Wageningse landschapsarchitect met een duidelijke, individuele en artistieke visie op het landschap. De toenemende sectorale belangen in de landschapsbouw dwongen zijn opvolgers tot het ontwikkelen van een visie op inspraak en besluitvorming
Die visie introduceerde de Wageningse landschapsarchitect Theo van Keulen in de jaren zeventig. Hij onderscheidde drie niveaus van besluitvorming: het macroniveau van de streekplannen en de structuurplannen, het mesoniveau van de bestemmingsplannen en de landinrichtingsplannen, en het microniveau van de vormgeving van afzonderlijke objecten. Daarmee was een toon gezet tegen de vaak conservatieve deelbelangen van natuur, recreatie en landbouw en voor een brede aanpak die op de toekomst was toegespitst
Breekpunt
In het begin van de jaren tachtig werd de casco-benadering uitgedragen door de huidige Wageningse hoogleraar tuin- en landschapsarchitectuur, Klaas Kerkstra. Hij pleitte voor een landschapsontwikkeling gebaseerd op eigentijdse ideeen. Het probleem is niet dat bij de moderne landbouw geen mooi landschap past, maar dat het bestaande er niet bij past, omdat het een product is van een verouderd systeem.
De Visser ziet in Kerkstra's plan voor de ruilverkaveling bij Lievelde een belangrijk voorbeeld van dit ontwikkelingsmodel, dat een breekpunt vormt met de individuele expressie van iemand als De Jonge. De Visser: Of de kaarten van Lievelde in het Nederlands Architectuurinstituut komen te hangen is maar de vraag: die van De Jonge zijn daar inmiddels gedocumenteerd.
In de jaren negentig ziet De Visser in de geleidelijke overgang van ruilverkaveling naar multifunctionele landinrichting een gunstig klimaat ontstaan voor de landschapsbouw. Het huidige overheidsbeleid weerspiegelt volgens hem de behoefte om multifunctionele landschappen te scheppen waarin tegelijkertijd aan economische, ecologische en esthetische eisen wordt voldaan. Tegelijkertijd signaleert De Visser dat de landschapsarchitect minder zichtbaar is geworden door een opeenvolging van reorganisaties van onder andere Staatsbosbeheer. Hier wreekt zich de verambtelijking van de landschapsbouw. Particuliere architectenbureaus nemen het werk over en spelen sindsdien ook een belangrijke rol bij het ontwikkelen van een landschapsarchitectonische visie op de landschapsbouw
De Visser vindt dat het ambitieuze maatschappelijke programma, zoals de realisatie van strategische groenprojecten, de uitvoering van de ecologische hoofdstructuur en de plattelandsvernieuwing, een landschapsarchitectonische inbreng verdient. Daarbij is de casco-benadering een belangrijke ontwikkeling. Maar bij het ontwikkelen van een theoretische visie moet ook het architectonisch denken weer de plaats krijgt die het verdient
Kerkstra
Klaas Kerkstra van de vakgroep Landschapsarchitectuur is zich bewust van de geringe invloed die Wageningen nu heeft, maar waarschuwt voor een vertekend beeld. Het vakgebied heeft een vlucht genomen. Het is niet meer vanzelfsprekend dat Wageningen in het centrum staat, maar de succesvolle landschapsarchitecten, zoals Adriaan Geuze en Lodewijk van Nieuwenhuijze, hebben wel allemaal een Wageningse achtergrond. Kerkstra vindt dat Wageningen zich meer moet roeren in het actuele debat, zeker op het raakvlak tussen landschapsarchitectuur en stedenbouw. Maar zorg er maar voor dat we meer personeel krijgen!
Als belangrijkste reden voor de grote invloed van de Wageningse landschapsarchitectuur ziet hij het feit dat de afdeling Landschapsarchitectuur van Staatsbosbeheer, waar alle ruilverkavelingensprojecten werden uitgevoerd, werd bevolkt door Wageningers. Sindsdien is Staatsbosbeheer geprivatiseerd en komen grote projecten als het Groene Hart, de hogesnelheidslijn en de Betuwelijn veelal van het ministerie van VROM
Volgens Kerkstra is er nu eerder sprake van ruimtelijke inrichting dan van de landinrichting waarin Wageningen vroeger zo'n centrale rol speelde. Toch heeft Wageningen nog wel invloed en als het aan Kerkstra ligt, zal dat niet veranderen. Hij ziet in de toekomst voor de Wageningse landschapsarchitectuur een belangrijke rol weggelegd, ook op gebieden die afwijken van het klassieke Wageningse landbouwperspectief
Geuze
Adriaan Geuze van West 8 Landscape valt vooral op dat Wageningen in de discussies rond grote landinrichtingswerken als Schiphol, de hogesnelheidslijn, de Betuwelijn en het Groene Hart de media niet haalt, maar een directe reden daarvoor kan hij niet aanwijzen. Hij betreurt de cultuurpessimistische teneur die heerst bij deze grote projecten. Ze zijn allemaal bang om het landschap te verpesten. Hij vindt het noodzakelijk dat de Wageningse vakgroep op wetenschappelijk niveau een bijdrage levert die uitstraalt via de media
Wageningen heeft binnen Geuzes bureau een bescheiden inbreng: Drie van de dertig landschapsarchitecten van West 8 Landscape zijn van origine Wageningers, inclusief ik zelf.
Over de Wageningse afgestudeerden: Ik verbaas me over het kleine aantal sollicitaties die ik krijg uit Wageningen. Van alle scholen in de wereld krijgen we hele dossiers met sollicitaties, maar Wageningers staan blijkbaar niet te dringen. Misschien ligt dat aan ons, met onze insteek in de richting van design, openbare ruimte en stedenbouw.
Van Nieuwenhuijze
Lodewijk van Nieuwenhuijze van het Utrechtse bureau H+N+S ziet het simpel. Tot tien jaar terug was de verandering in de landbouwproductie de motor bij de ontwikkelingen in het landelijk gebied. Nu is die dominantie van de landbouw afgenomen. Infrastructuur en verstedelijking zijn nu belangrijke onderwerpen.
Volgens Van Nieuwenhuijze was die dominantie van de landbouw op drie manieren bevorderlijk voor de invloed van Wageningen. Ten eerste was het ministerie van LNV als belangrijkste opdrachtgever alleenheerser over de inrichting van het landelijk gebied. Het ministerie fungeerde ook als een bureau dat de opdrachten uitvoerde, meestal met Wageningse mankracht. Nu zijn beleid en kennis losgeknipt, mede door de gedecentraliseerde besluitvorming. Particuliere landschapsarchitectenbureaus als H+N+S zijn in dit gat gesprongen. Als derde punt noemt Van Nieuwenhuijze het profiel van de afgestudeerde Wageningse landschapsarchitect, dat met zijn nadruk op analytisch vermogen en een brede kennis van de landbouw beter aansloot bij de toenmalige landschapsinrichting
Tegenwoordig is van dit klassieke Wageningse profiel niet veel meer te zien. En dat terwijl het vak nog nooit zo'n hoog aanzien heeft gehad, vindt Nieuwenhuijze. Dat Wageningers in dit klimaat niet gedijen, komt onder andere door de steeds sterkere nadruk die ligt op het ontwerp, waarmee volgens Nieuwenhuijze onder andere West 8 Landscape van Adriaan Geuze goed scoort
Lewis
Frank Lewis van het Amsterdamse Bureau B+B vindt dat er steeds dezelfde mensen in Wageningen zitten, en dat steeds vanuit een hoek het evangelie van Kerkstra wordt gepreekt. Daarnaast ziet hij een opkomst van particuliere bureaus die mede dankzij de decentralisatie van de landinrichting dichter bij de opdrachtgever zitten. Deze bureaus drukken steeds meer een stempel, omdat ze duidelijk een eigen visie weten te brengen. Een bureau als H+N+S heeft zich bijvoorbeeld ontwikkeld tot de denktank voor de landinrichting van Nederland.
Overigens is de invloed van Wageningse landschapsarchitecten zeker niet tanende. Bij toonaangevende bureaus als H+N+S, West 8 Landscape en B+B werken nog altijd veel Wageningers en een beroemd landschapsarchitect als Adriaan Geuze is ook een Wageninger.

Re:ageer