Wetenschap - 19 maart 1998

Het gelijk van Willy Wortel

Het gelijk van Willy Wortel

Het gelijk van Willy Wortel
Vroeger had elk vakgebied zijn techneut
De technisch ontwerper die samen met de onderzoeker nieuwe apparatuur ontwikkelt dreigt op de universiteit uit te sterven door de voortdurende bezuinigingen. Tegenwoordig moeten veel onderzoekers elders technische ondersteuning inhuren, wat de innovatie niet ten goede komt. De Wageningse Willy Wortel, aangeslagen en op non-actief gesteld, wil weer nieuwe apparaten bouwen
Willy Wortel waart rond in Wageningen. Jarenlang ontwierp hij apparaten die het nog steeds goed doen: de begassingskast, het fotomobiel en de erosiemeter. Nu zit hij thuis. De een zegt: overspannen. De ander zegt: vol wrok over aangedaan onrecht. Hij springt van de hak op de tak in lange monologen, maar telkens komt zijn centrale stelling terug: respecteer de technisch ontwerper als vakman en scheidt hem niet van de onderzoekers, want dan gooi je als onderzoeksinstelling het kind met het badwater weg
Het kind van de rekening heet Willem Tonk. Thuis in een zijkamertje staan de apparaten opgestapeld waaraan hij 's avonds met de onderzoekers placht te sleutelen. In de kast een lijvig pakket notities en paperassen over ontwerpen. Hij zinspeelt op een rechtszaak omdat een van zijn ontwerpen is gestolen en omdat hij ten onrechte niet staat vermeld bij twee wetenschappelijke publicaties. Hij heeft zijn verhaal gebundeld in een twaalf pagina's tellend epistel met aanklachten en dat toegestuurd aan bestuursvoorzitter Cees Veerman. Die wil over enige tijd een gesprek met hem
Tonk heeft in 1985 en 1986 bij Plantenfysiologie veel ontwikkeld, stelt onderzoeker dr ir Bert van Hove. Heel betrouwbaar, de begassingskasten en de beluchting werken nog steeds goed. Dat moet ook wel, voegt Van Hove eraan toe, want er is momenteel geen geld meer om nieuwe apparaten te ontwikkelen. De analisten en technici op de werkvloer zijn verdwenen. Ik moet nu alles zelf doen. Dat hoort eigenlijk niet, maar ik zie geen andere oplossing.
Van Hove mist de technicus op de werkvloer. De facilitaire diensten werken redelijk goed en we hebben nu meer apparatuur ter beschikking dan vroeger. Maar je kunt niet voor elk akkefietje naar de dienst. Je moet steeds bonnen schrijven en er zijn wachtlijsten, wat het onderzoek sterk kan vertragen. In de praktijk borrelen de ideeen op, die wil je dan even toetsen. Daar hebben de diensten geen tijd voor. De vernieuwing van het onderzoek wordt daardoor bemoeilijkt.
Waardering
Bij Theoretische productie-ecologie (TPE) ontwikkelde Tonk het fotomobiel, dat de fotosynthese in planten meet. We hadden vroeger een technische dienst van drie personen, herinnert dr ir Egbert Lantinga van TPE zich. Er waren korte lijnen, de apparatuurontwikkeling ging heel goed. Tonk heeft een heleboel essentiele onderdelen ontworpen. Hij kwam met compleet nieuwe concepten. Maar er is vrij fors bezuinigd op de ondersteuning. Nu komt de ondersteuning van Unifarm. We zitten in de eindfase van de ontwikkeling van het fotomobiel. Unifarm kan niet alles, we hebben elektronische mensen nodig van De Dreijen. Maar daar is een reorganisatie gaande, zodat de ontwikkeling stil ligt. Tonk zou het fotomobiel verder kunnen ontwikkelen, weet Lantinga, maar die zit na een hevige ruzie op Unifarm overspannen thuis
Lantinga schetst de oorzaak van de problemen. Er is nauwelijks waardering voor het werk van technisch ontwerpers. De ontwikkeling van apparatuur is een vorm van wetenschap: je moet bij metingen rekening houden met specifieke doeleinden en wisselende meetcondities. Maar dat zien de meeste mensen niet. De consequenties dienen zich nu aan. Enkele studenten van mij werkten met goedkope standaardapparatuur. Je weet dan niet precies wat je meet, of de condities in orde zijn. Dat leidt tot veel moeilijkheden bij het interpreteren van de gegevens.
De productie-ecoloog vindt het inhuren van technische ondersteuning binnen de LUW een treurige ontwikkeling. Het inhuren van iemand op elektronisch gebied bestaat uit het heen en weer schuiven van geld. Het kost veel tijd en het nettoresultaat is nihil. Hij vindt het prima als de onderzoeksondersteuning in een grote pool wordt geconcentreerd. Maar daar moet je een beroep op kunnen doen zonder dat er marginale bedragen worden verrekend. Mijn ideaalbeeld is dat de technische mensen tijdelijk worden gedetacheerd, zodat je het ontwerpproces als team kunt doen. Die situatie is er nog lang niet, stelt Lantinga, die veel voorbeelden heeft gehoord van technici die vastzitten op een werkplaats en daar niet veel te doen hebben, maar niet zomaar tijdelijk naar een andere eenheid kunnen
Vakgebieden die minder door bezuinigingen zijn getroffen, kunnen zich nog onderzoeksondersteuning op de werkvloer permitteren. Zo bestaat het chemisch lab van Bodemkunde en geologie uit vijf analisten. We kunnen de vraag naar analyses nauwelijks aan, meldt dr ir Peter Buurman, chef van het lab. De analisten zijn hard nodig bij de ondersteuning van proeven, meent Buurman. Je hebt mensen nodig die precies weten wat een apparaat kan, anders weten de onderzoekers niet wat ze mogen verwachten.
Verbondenheid
Het laboratorium heeft de afgelopen jaren vier nieuwe technieken in huis gehaald. Dan kom je vaak tot de ontdekking dat je zo'n meetinstrument ook voor andere dingen kunt gebruiken. Daar kom je niet achter als je louter een afnemer bent van data.
Buurman zou niet op een andere locatie voor de bodemkundig onderzoekers willen werken. De verbondenheid met de onderzoekers is heel belangrijk. Niet alleen voor de onderzoekers. Als de analist louter een producent van data wordt, dan neem je veel motivatie bij hem weg.
Zolang Buurman veel werk omhanden heeft, kan hij rustig op Duivendaal blijven werken, verzekert het hoofd van de facilitaire diensten, Fre Schelbergen. Het bij elkaar brengen van analisten, technici en tekenaars in ondersteunende diensten gebeurt alleen als zij onvoldoende werk hebben binnen hun departement. Vroeger had elk vakgebied zijn techneut, schetst Schelbergen. Door de bezuinigingen is er minder werk voor ze gekomen. Door ze bij elkaar te brengen in een pool kunnen we de ondersteuning efficienter aanbieden.
Een logische consequentie is dat onderzoekers meer moeten plannen wanneer ze ondersteuning nodig hebben. Ze kunnen niet meer aankomen met de opmerking: Ik heb vandaag wat bedacht, meent Schelbergen
Bestaansrecht
Hij wil in de toekomst nadrukkelijker onderscheid gaan maken tussen Willy Wortels als Willem Tonk en de routinematige onderzoeksondersteuning. Nu worden de ondersteunende diensten nog betaald uit de centrale middelen. De onderzoekers moeten voor ondersteuning bij ons zijn; er is verplichte winkelnering. Als we echt facilitair gaan werken, moeten we die verplichting schrappen, want zo krijg je nooit inzicht in het bestaansrecht van de faciliteiten. De departementen moeten vrij kunnen handelen. Ik wil voor mijn medewerkers de garantie dat ze de komende drie jaar hun baan houden. Na die periode kun je de balans opmaken.
Naast de puur facilitaire tak wil Schelbergen innovatieve units binnen zijn dienst. Neem Tonk, die heeft veel ideeen op de plank liggen. Zo is het fotomobiel een heel eind, maar het behoeft afwerking. De hamvraag is: hebben we een ontwikkelingsbudget voor mensen als Tonk achter de hand? Zo hebben we nog nooit naar een ondersteunende dienst gekeken. Als je uitgaat van de integrale kostprijsberekening, weet ik niet of je dit soort jongens binnen de universiteit overeind houdt. We moeten nu dus overleggen met de leerstoelhouders, vragen hoe die hier tegenaan kijken. Ik denk dat je dit soort innovatieve units nodig hebt als je universiteit wilt blijven.

Re:ageer