Wetenschap - 1 oktober 1998

Harens bodemonderzoek komt naar Wageningen

Harens bodemonderzoek komt naar Wageningen

Harens bodemonderzoek komt naar Wageningen
Unieke proeven in betonnen bakken maken plaats voor computermodellen
Het onderzoek bij het Instituut voor Bodemvruchtbaarheid in Haren is uitstekend, zo concludeerde een internationale visitatiecommissie in 1994. Dat was vlak na de fusie met het CABO (Centrum voor Agrobiologisch Onderzoek) in Wageningen tot Agrobiologisch en Bodemvruchtbaarheidsonderzoek (ABDLO). Maar twee locaties voor een onderzoeksinstituut is te duur. Bovendien moet je daar zijn waar al het onderzoek gebeurt, vindt dr ir Jacques Neeteson, voormalig directeur van het IB in Haren en nu onderzoeksmanager bij het AB in Wageningen
Vanaf 1 oktober is het gebouw in Haren officieel gesloten. Daarmee is een einde gekomen aan een onrustige periode van zo'n tien jaar, waarin continu sprake was van wel of niet verhuizen naar Wageningen. Met de verhuizing gaat het bodemonderzoek niet verloren. Het gaat door, alleen op een andere plek. Wat wel verdwijnt is de specifieke onderzoekslocatie. Ook versnelt de verhuizing het afvloeiingsproces van het ondersteunend personeel, een gevolg van de in de loop der jaren veranderde aard van het onderzoek
Het is een eerbiedwaardige oudje, het instituut dat in 1890 werd opgericht als Rijkslandbouwproefstation. In de loop der tijd is het uitgegroeid van een laboratorium dat voornamelijk controlewerkzaamheden uitvoerde tot een gezaghebbend instituut op het gebied van bodemvruchtbaarheid
Tot 1915 voerden de medewerkers voornamelijk chemische analyses uit van meststoffen en voedermiddelen. Daarna kwam het onderzoek naar bodemziekten op gang. Al in het begin van deze eeuw had dat groot succes. Zo vond het proefstation de oorzaak van de veenkoloniale haverziekte, die nu al niet meer bekend is maar die in het begin van deze eeuw vreselijk huishield in de veenkolonien. De ziekte ontstond door mangaangebrek op gronden met een lage zuurgraad
Vanaf de tweede helft van de eeuw deed het instituut bemestingsproeven. Dr ir Jacques Neeteson: We deden simpele proeven op heel veel verschillende grondsoorten. Bij een bemestingsproef met aardappel bepaalden onderzoekers vooraf de stikstofvoorraad in de bodem en achteraf de opbrengst en de opgenomen stikstof in het gewas. Door de proeven bij bijvoorbeeld zeven verschillende bemestingsniveaus uit te voeren, kregen de onderzoekers een enorme hoeveelheid waarnemingen. Dit soort onderzoek legde de basis voor de bemestingsadviezen voor kunstmest, die de Nederlandse boeren een handvat boden om nauwkeuriger te bemesten
Dergelijk onderzoek zette de onderzoekers aan het denken. Volgens Neeteson waarschuwden twee IB-onderzoekers al in 1968 voor het gevaar van een te hoge bemesting door het dumpen van dierlijke mest. Maar daar gebeurde toen niets mee.
Voedselweb
Ook op ander terrein gaf het instituut waarschuwingen af. Zo kwam het zo'n vijf jaar geleden naar buiten met schrikwekkende resultaten. Bij het uit productie nemen van landbouwgrond is de kans groot dat zware metalen gaan uitspoelen
Niet alleen het onderzoek naar nutrienten was een succes. Het in kaart brengen van het voedselweb in de bodem verwierf internationale faam. In een gezonde bodem leeft van alles, van schimmels en bacterien tot regenwormen. Al die organismen staan in een bepaalde verhouding tot elkaar. Bij elkaar heet dit het voedselweb. Treedt er een verstoring op in de grond - er komt bijvoorbeeld veel koper in - dan profiteren sommige organismen daarvan en andere leggen het loodje
Dergelijk onderzoek kon het instituut doen dankzij zijn goede ondersteunende staf. Het tellen van bacterien achter een microscoop vraagt bijvoorbeeld veel tijd. Het Harense instituut heeft daar weliswaar sinds twee jaar een apparaat voor, maar voor de ontwikkeling heeft het technische personeel gezorgd. Toch wordt nu juist in het technisch personeel gesneden. Slechts twee Harense technici gaan mee naar de kleinere werkplaats in Wageningen. Neeteson: We hadden inderdaad een hele mooie werkplaats met goede apparatuur. Maar we zullen dat werk vanaf nu uitbesteden aan commerciele bedrijven.
Vakkenproeven
Wat echt verloren gaat zijn de vakkenproeven. Betonnen bakken met verschillende grondsoorten, ingegraven in de Harens tuin van het instituut, hebben al dertig jaar lang dezelfde bemesting gekregen. Uit deze proeven, uniek in Nederland, is in de loop der jaren een schat aan informatie gekomen. Toch vindt Neeteson het niet erg dat de vakkenproeven worden opgedoekt. Wat levert een paar jaar proeven doen nu nog extra op? We hebben alles goed gedocumenteerd. De gegevens uit die proeven gebruiken we nu in modellen.
Minder proeven en meer modellen betekent minder ondersteunend personeel. Bij het administratief en proeftechnisch personeel vallen dan ook de hardste klappen bij de verhuizing
Neeteson is blij dat de onderzoekers nu bij elkaar in de buurt komen. Het nutrientenonderzoek en het daaraan gerelateerde bodemecologische onderzoek komt in een vleugel van het hoofdgebouw van het AB. Het contaminantenonderzoek - naar het gedrag naar zware metalen in de bodem - en het daaraan gerelateerde bodemecologische onderzoek krijgt een plaats in het Staring-Centrum, want daar zijn de beste labs voor dat onderzoek
Als Neeteson had geweten wat een verhuizing naar Wageningen het instituut zou opleveren, had hij acht jaar geleden anders gereageerd op het besluit van de Tweede Kamer om Haren niet te sluiten. Toen trakteerde hij op gebak; nu betreurt hij het besluit. Als we toen waren verhuisd, hadden we niet al die tijd in onzekerheid geleefd.
Ik ga geraniums kweken
De moedeloosheid onder de Harense achterblijvers is groot. Van de 88 werknemers gaan er 27 naar Wageningen, treden er 30 vervroegd uit en moeten er 31 een andere baan zoeken. Daarbij kijken de afvallers niet eens jaloers naar de collega's die naar Wageningen gaan. Je weet dat de volgende reorganisatie er al weer aankomt, zeggen verschillende AB'ers
Iedereen is druk aan het opruimen en weggooien. Of aan het praten. Of de ander al een nieuwe baan heeft, of er al een brief is gekomen van de directeur met de officiele einddatum. Maar bovenal praten ze over de verwachtingen die niet uitkomen. De verwachting dat het outplacement-bureau iedereen wel even snel aan een baan helpt. De verwachting dat binnen zo'n groot ministerie als LNV wel ergens een plekje is en dat je als interne kandidaat voorgaat. En de verwachting dat iedereen zijn beloftes onmiddellijk waarmaakt. Zegt een personeelsfunctionaris dat de brief vandaag op de post gaat, dan moet je niet na een week weer hoeven bellen waar de brief blijft
Hendrik Terburg, redacteur van onder andere onderzoeksrapporten, is er wat laconiek onder. Als je al jaren in een proces van reorganisatie bent, trekt de tragiek wat weg. Als alle rampspoed die we toen vreesden was uitgekomen, dan stonden we er nu veel slechter voor.
Terburg mag dan ook niet klagen, hij mag blijven. Maar naar Wageningen wil hij nog niet, in ieder geval niet definitief. Dus reist hij twee dagen per week naar Wageningen, de rest van de week werkt hij thuis in het noorden. Of hij gaat verhuizen weet hij nog niet. Hij is tenslotte al 54 jaar. Bovendien mag je er vier jaar over nadenken. Dat proces is net begonnen.
Hobbe Pijpker, 55 jaar, hoeft helemaal niet meer. Het hoofd van de technische dienst heeft een overgangsregeling tot z'n 61ste, wanneer hij met de VUT kan. Ik heb het er wel moeilijk mee dat ik mijn baan kwijt ben, maar ik hoef niet meer te solliciteren. Voor jongere mensen is het allemaal veel schrijnender.
Voor de mensen die naar iets anders moeten uitkijken, de herplaatsingskandidaten, begint het harde leven nu pas echt. Het zijn vooral de mensen uit de ondersteuning. Een van hen is Marco, 37 jaar. Zijn echte naam wil hij niet in de krant. Lyrisch vertelt hij over z'n werk, instrumentmaker. Wij maken spul dat niet in de winkel te koop is, heel gespecialiseerd werk. Ik moest oplossingen vinden voor de problemen van de onderzoekers. De rapporten van het onderzoek op basis van onze apparaten gaan de hele wereld over. De onderzoekers beseffen nu dat wij weg gaan. Twee weken geleden kwamen ze nog vragen of we alsjeblieft nog wat wilden maken.
Marco had plezier in zijn werk. Dergelijk werk vreest hij niet meer te vinden. Wel wat anders, grover, maar tot nu toe is het nog niet gelukt. Er is een outplacement-bureau dat ons helpt, Agriment. Toen ze kwamen dachten we allemaal, die hebben ons binnen de kortste keren aan een baan geholpen, die hebben de contacten. Maar dat is helemaal niet zo. We hebben wel een training gehad, om te leren solliciteren. En nu heb je elke twee a drie weken een gesprek. Het enige wat die man dan vraagt is of er nog wat in de krant stond en of ik nog heb gesolliciteerd. Daar heb ik hun niet voor nodig.
Ze hebben er nog niet een aan een baan geholpen. Iedereen die wat heeft, heeft dat zelf gevonden. Een keer heeft iemand van LNV gebeld naar een ziekenhuis waar hij had gesolliciteerd. Toen ben ik uitgenodigd, maar ik ben het niet geworden.
Ik verwacht dat Agriment van tevoren belt naar een potentiele werkgever. Mijn brief moet eruit springen. Als ik dan bel, dan weten ze ervan. Maar dat doen ze helemaal niet.
Als een herplaatsingskandidaat werk vindt tegen een lager loon, kan DLO maximaal vijf jaar het salaris aanvullen. Marco: Hoe dat precies zit weet ik niet, dat wordt individueel bekeken. Dan zeggen ze dat ze dat ter plekke wel bekijken. Maar ik kan een mogelijke werkgever toch niets vertellen als ik niet weet hoe het zit? Dan moeten zij dat vertellen, maar dat doen ze niet.
Ik kan wel naar een uitzendbureau gaan. Maar ik wil iets vasters. Ik wil ook best weg uit Groningen, maar dan moet het wel een baan zijn voor langere tijd. Nu ga ik maar geraniums kweken. Dan kan ik achter de geraniums gaan zitten.

Re:ageer