Wetenschap - 6 juli 1995

Groepshuisvesting alleen is niet genoeg voor varkenswelzijn

Groepshuisvesting alleen is niet genoeg voor varkenswelzijn

Ook bij biggen leidt een zware jeugd tot latere problemen

Het scharrelproject op Zodiac van dr ir F. de Jonge loopt meer dan naar wens. Na ruim twee jaar gedragsobservaties en gedragstesten zijn de eerste resultaten bekend. Het lijkt erop dat er een verklaring is voor de problemen waar welzijnsvriendelijke varkenshouderijsystemen mee kampen. Biggen onder stress presteren slechter, zelfs als ze als volwassen varkens in de watten worden gelegd. Die stress hangt weer samen met de huisvesting.


Kijk die zeug eens wroeten." Enthousiast wijst dr F.H. de Jonge op een scharrelzeug die ter verkoeling een loopgraaf in de grond aan het wroeten is. De rug van het dier is op gelijke hoogte met de grond. Al meer dan twee jaar bestudeert De Jonge de scharrelde varkens, maar van haar enthousiasme heeft ze nog niets verloren.

Het onderkomen van de dieren bestaat uit acht kraamhokken, een grote zandbak om in te wroeten en een stuk weiland om te grazen. Zes zeugen liggen binnen, twee zijn er met hun biggen buiten en genieten volop van het mooie weer. De Jonge loopt naar het modderbad in het grasland. Door de mooie zomerse dagen staat het droog. Ik geef ze nu iedere dag een douche." Met grote stappen beent ze naar de sproeier: Kom dan jongens, komt dan." De zeugen genieten lebberend en tevreden knorrend van de verkoeling.

Het scharrelvarkensproject van de sectie Ethologie loopt nu ruim twee jaar. Het project wil een bijdrage leveren aan de ontwikkeling van meer welzijnsvriendelijke huisvestingssystemen voor varkens. De Jonge zoekt naar de oorzaken van problemen in de experimentele groepshuisvesting. Nu zijn mensen vaak niet enthousiast over welzijnsvriendelijke huisvestingssystemen zoals groepshuisvesting of scharrelvarkens. Ze constateren dat de dieren net zo vaak ziek zijn als onder intensieve houderijsystemen, minstens zoveel bronstproblemen hebben en elkaar in de geslachtsdelen bijten. Maar wat wil je ook anders? Na twee jaar onderzoek heb ik wel geleerd dat groepshuisvesting nooit een succes kan worden als je daarvoor biggen gebruikt die onder intensieve omstandigheden zijn opgegroeid." De onderzoekster is stellig overtuigd van haar gelijk, daarin gesteund door de eerste resultaten van het onderzoek.

Spelgedrag

De Jonge heeft gezocht naar de invloed van ervaringen in de vroege jeugd op het latere gedrag van het dier. Om dit te achterhalen zijn medio 1993 twee groepen zeugen verschillend gehuisvest. De ene groep verbleef buiten in het scharrelsysteem en kreeg daar haar biggen. De andere groep verbleef in een Deens kraamhok, zoals dat in de praktijk veelal wordt toegepast: de intensief gehouden moederdieren liggen aangebonden in stalen kooien, met weinig bewegingsruimte. De kooi bevindt zich in een hok zonder stro van twee bij twee meter.

Na zes weken werden de biggen gespeend en twee aan twee in hokken binnen gehuisvest. De Jonge koos voor deze opzet omdat onder andere dr W.G.P. Schouten, eveneens van Ethologie, in zijn proefschrift had aangetoond dat biggen die opgroeien in standaard kleine kraamhokken hun spelgedrag niet voldoende kunnen afronden. Schouten vond dat bij kleine, speelse ruzies de vluchtende big onvoldoende ruimte had om uit de wijken. Daardoor gingen de biggen het gevecht telkens opnieuw aan, waarbij ze elkaar uiteindelijk gingen bijten. De Jonge: Onze hypothese is nu dat zulke onregelmatigheden in de vroege jeugd kunnen leiden tot problemen op latere leeftijd."

De resultaten wijzen inderdaad in die richting. In een hok met twee varkens die in een arme omgeving (het Deense kraamhok) zijn opgegroeid, blijkt dat het dier met een lage rangorde achterblijft in de groei, later in de puberteit komt en hogere niveaus van het stresshormoon cortisol in het bloed heeft. We verklaren dat door heel simpel te stellen dat het voor zo'n zeug niet leuk is om telkens opnieuw op haar donder te krijgen. Als je twee varkens bij elkaar zet die scharrelend zijn opgegroeid, maakt het niet uit of een dier laag of hoog in de rangorde is. De verhouding tussen twee dieren die onder rijke omstandigheden zijn opgegroeid, is duidelijk. De ranglage dieren leggen zich bij hun positie neer en gaan niet telkens opnieuw vechten."

De Jonge koppelt haar bevindingen aan die van Schouten. Als biggen op jonge leeftijd niet geleerd hebben om vechtgedrag goed af te maken, zal dit op latere leeftijd ook niet meer lukken. Met als gevolg dat agressief gedrag in de groep blijft bestaan."

Ook vond de gedragsdeskundige dat de dieren die onder intensieve omstandigheden zijn geboren en grootgebracht, veel meer stereotiep gedrag vertonen als ze worden aangebonden. Het is waarschijnlijk dat biggen van moeders die tijdens en na de dracht te maken hadden met veel stressoren, zelf later ook gevoeliger zijn voor stress. Bij muizen en ratten is dat in de literatuur al aangetoond. Biggen van aangebonden zeugen zullen dus wellicht gevoeliger zijn voor stressoren dan biggen van zeugen die onder riante omstandigheden de dracht en lactatieperiode kunnen doorbrengen."

Beer

In de zeugenhouderij wordt vijftig procent van de zeugen jaarlijks vervangen. Dat betekent dat een zeug gemiddeld maar twee jaar meegaat. Vruchtbaarheidsproblemen zijn de oorzaak van vijftig procent van die vervangingen. Vijftien tot twintig procent van de dieren wordt zelfs helemaal niet meer berig. De Jonge: Nu weet ik niet precies wat de vruchtbaarheidsnormen van een varkenshouder zijn, maar ik weet wel dat het onder natuurlijk omstandigheden niet voorkomt dat zo'n groot gedeelte van de zeugen na twee jaar geen bronst meer vertoont. Uit de literatuur was al bekend dat dit te maken heeft met het aanbinden van de zeugen."

De Jonge bedacht een nieuwe test. Aan het eind van een gang zette ze een beer vast, op een betonnen ondergrond. Over een afstand van vijftig meter spreidde ze stro uit. Stro is ontzettend belangrijk voor varkens. Ze kunnen daar uren in zoeken, spelen en liggen. Op deze manier kon ik mooi de motivatie van de dieren voor de beer onderzoeken. Aangebonden dieren bleken veel minder snel voor de beer te gaan staan. De vraag is nu waar die variatie tussen dieren vandaan komt. Een mogelijkheid is de individuele variatie in stress-gevoeligheid. Die hangt af van de condities waaronder het dier opgroeide. Maar het kan ook zijn dat de verschillende reacties op stressoren genetisch zijn vastgelegd."

De vraag naar genetisch vastgelegde verschillen in gedrag vormde voor De Jonge een van de redenen om te experimenteren met wilde zwijnen. Een aantal zeugen van het scharrelterrein zijn gedekt door een wild zwijn. De gestreepte biggetjes die daar uit voortkwamen, springen nu vrolijk rond. De Jonge: Ik denk dat de individuele variatie in de reactie op stress bij dergelijke kruisingen veel groter zal zijn. Door deze kruisingen krijg ik dus als het ware een vergrootglas, waardoor ik naar de individuele genetische gedragsvariatie in het varken kan kijken."

Sensoren

In de scharrelhokken van De Jonge is het percentage doodliggen hoger dan elders. Van ieder nest van ongeveer tien biggen gaan er een a twee dood doordat de zeug boven op ze gaat liggen. Ook onder intensieve omstandigheden lukt het niet om dat probleem onder controle te krijgen. Er zijn wel allerlei technieken om eraan te ontkomen, zoals sensoren die onder de zeug worden geplaatst. Als het moederdier enigszins door haar poten zakt, zorgen de sensoren ervoor dat er een koude wind onder de zeug begint te waaien. Daardoor gaan de biggen op de loop."

Voor het doodliggen zijn meerdere redenen aan te voeren. Het feit dat de poten van het moederdier niet sterk genoeg zijn om met haar zware lichaam langzaam te gaan liggen, is door de sector al erkend. Neerploffen is het enige wat nog lukt. De big die daar onder komt heeft pech gehad. Ook is misschien een gemiddelde van tien biggen per zeug te veel, waardoor de zeug al dan niet bewust op haar biggen gaat liggen.

De Jonge wil gaan zoeken naar een mogelijke andere verklaring. Zij vermoedt dat bij gangbare zeugen de moederlijke gedragseigenschappen verloren zijn gegaan als gevolg van de gebruikte fokmethoden. Misschien hebben we door continu te selecteren op produktiekenmerken het moederlijk gedrag uit de dieren gefokt. Een agressieve zeug die haar biggen goed beschermde, was natuurlijk lastig voor een varkenshouder en werd opgeruimd. Maar misschien zijn dat juist de moeders die een genetisch aanleg hebben om zoveel mogelijk biggen groot te brengen. De rustige, minder geinteresseerde dieren zijn wellicht vriendelijk voor de baas, maar kijken niet voldoende naar hun kroost om." Of deze theorie houdbaar is moet blijken wanneer de halfwilde zwijntjes die nu op Zodiac zijn geboren, zelf gaan afbiggen.

Etenstijd

Tien over elf; de rust in de hokken raakt verstoord. Opeens rennen alle biggen naar de zeugen. Het is etenstijd. Of de gestreepte wilde-zwijnebiggetjes moeders zullen worden die beter op hun biggen passen, is nog niet te zeggen. Maar het lijken nu al wel biggen die hun eigen moeder goed in de gaten houden. Alle gestreepte diertjes drinken ze bij een en dezelfde zeug. Uit de literatuur en ook uit dit onderzoek blijkt juist dat in de groepshuisvesting, waar zeugen en biggen vrij door elkaar liggen, de biggen vaker drinken bij verschillende zeugen.

Re:ageer