Wetenschap - 9 maart 1995

Gradus van Brakel

Gradus van Brakel

Centrale Dienst Dreijen

Moet directeur Woldendorp van de sector Produkt en Biotechnologie op De Dreijen, vanwege de bezuinigingen op de knieen langs de vakgroepen om zijn diensten aan te bieden en zo het bestaansrecht van de Centrale Dienst te bewijzen? Beslist niet!", vindt medewerker Gradus van Brakel.


De sector is tot de laatste seconde van elke werkdag volop aan het werk en draait optimaal. Wij zijn de mollen van de universiteit. Men ziet ons niet, omdat we meestal onzichtbaar aan het werk zijn. Daarom merkt men ons niet op en krijgen we weinig respons op het werk dat we doen."

Gradus van Brakel is voorzitter van de dienstencommissie van de Centrale Dienst, sector Produkt en Biotechnologie; medewerker van het Technisch Installatie Beheer Wageningen-Oost.

In het Scheikundegebouw vertelt hij, achter een kopje koffie in een kamer van iemand die toch op vakantie is, over zijn bezorgdheid voor de toekomst van de dienst waarvan hij met plezier deel uitmaakt. Vooral over de vraag of zij wel of niet geheel facilitair bedrijf zullen worden. Gedeeltelijk is dat al het geval, maar helemaal? Dat houdt zekere riciso's in. Facilitair bedrijf? Best, maar dan moeten alle sectoren dat gelijktijdig worden, anders krijg je oneerlijke concurrentie. Dan kunnen de vakgroepen zeggen: Wageningen-West is geen facilitair bedrijf, dus vragen we de technici uit die sector, want aan Wageningen-Oost moeten we voor de diensten betalen. En dan gaat Oost op de fles."

Gradus van Brakel is een breed opgeleide technicus. Toegepaste elektronica, meet- en regeltechnieken, klimaatbeheersing, instrumentmaker, digitale technieken, om maar een paar vaardigheden te noemen. Bovendien heeft hij ruime ervaring. Alles is in onze dienst aanwezig. Van koeltechniek tot verwarming en elektra. Wij moeten letterlijk alles kunnen. Je moet een all-round technicus zijn, anders pas je niet in deze dienst."

Wij plegen onderhoud en verlenen service aan alles wat er aan installaties staat binnen onze sector. Elektrische apparatuur, stoomketels (voor de luchtvochtigheid in de gebouwen), noem maar op. Ons gebied is heel groot: vanaf Waterzuivering, de Bornsesteeg, De Dreijen, kortom alles wat zich aan de oostkant van Wageningen bevindt, dat beheren wij. Wij lopen zeven dagen per week, vierentwintig uur per dag, dienst te doen met een semafoon op zak en dat doen we met een ploeg van vier man en een van zes."

Lage loonschaal

Dat betekent dat je een keer in de vier of een keer in de zes weken 24 uur oproepbaar en inzetbaar moet zijn. Er gebeurt 's nachts regelmatig iets; er gaat vaak iets kapot. Als je 's nachts wordt opgeroepen en je komt zo'n gebouw binnen, dan weet je niet direct waar je naar moet zoeken. Dan ga je aan de slag, net zo lang totdat je het defect hebt gevonden. En dan komt het op je vakmanschap aan. Want men verwacht een adequate oplossing van je. Maar dat maakt het werk ook heel boeiend."

Ja, wat er kan gebeuren? Lekkage, een kapotte cv-ketel of een brand. Dat hebben we hier al twee maal meegemaakt. Of iemand die in een diepvriescel is ingesloten. Na tien minuten gaat het alarm van zo'n cel af en dan moet je wel snel actie ondernemen! Maar het gaat om die brede inzetbaarheid van onze groep. Dat ziet niet iedereen. Wij zijn net mollen, we werken ondergronds, in kelderruimtes en ketelhuizen. De buitenwacht heeft geen idee over wat wij allemaal verrichten. Maar het is toch wel fijn als onderwijs en onderzoek snel en goed kunnen worden voortgezet omdat wij voor het technisch onderhoud zorgen. In de bouw zie je vorderingen, bij ons zie je die niet. Maar je zou eens moeten zien wat er gebeurt als wij eens een maand afwezig zouden zijn! Er zou bijvoorbeeld geen nieuwe apparatuur geplaatst kunnen worden. Want wij zorgen er ook voor, dat er ruimte gemaakt is als de firma's hun apparatuur komen plaatsen."

En bij dat alles blijven ze maar in dezelfde lage loonschaal hangen.

Sectordirecteur Woldendorp heeft Van Brakel's volledige vertrouwen. Hij kijkt niet alleen naar de vakgroepen, maar heeft ook oog voor het belang van deze dienst."

Grijze muis

Van Brakel vindt het heel waardevol dat hij zelf in de dienstencommissie zit, want daarin kan hij meepraten en ideeen ventileren. Hij probeert geen grijze muis te zijn". Zijn team functioneert goed en hij voelt zich ook binnen de commissie goed op zijn plaats. Het gaat wel eens hard tegen hard, maar je kunt bij Woldendorp alles op tafel leggen tijdens de vergaderingen. De lijnen zijn erg kort en dat werkt goed."

Daarom betreurt hij het dat er in het bureau is besloten dat er voor de sectoren slechts een dienstencommissie moet komen. Daar heeft Van Brakel heftig tegen geageerd.

Deze sector bestaat uit negentig mensen. Daarmee gaan we straks dus op in dat grote verband, zo'n zeshonderd man. Dat begrijp ik niet. Nu hebben we korte lijnen. Maar straks raak je helemaal ondergesneeuwd, want als je uitgaat van een evenredige vertegenwoordiging, komen er van onze dienst hooguit twee afgevaardigden in die commissie en wat kun je daar nou mee? Nog afgezien van het feit, dat de belangen erg door elkaar lopen, want straks krijg je tijdens de vergaderingen zowel met arbeidsovereenkomsten als met vakgroepsproblemen te maken. Dat wordt toch een ontzettend log lichaam? Daarmee is onze dienst niet gebaat. De besluitvorming gaat daardoor steeds langer duren!"

Er zijn mensen, die door de vele veranderingen afhaken. Van Brakel: Ik voel erg mee met mensen die het niet meer aan kunnen. Ik krijg de signalen vanuit de dienstencommissie. De ene boodschap is nog niet overgebracht, of de andere is alweer verzonnen. Vind je het dan gek dat mensen de weg kwijt raken? Je durft haast geen visie meer te ontwikkelen, want er komt weer een ander besluit overheen. Ik ben niet somber, want voor mezelf heb ik het hier best naar mijn zin. Wij hebben hier een goed bedrijf met veel specialisatie en honderd procent inzet, ook van Woldendorp. Met ons kan eigenlijk niets gebeuren. Wij zijn al veel verder met onze beleidsvisie dan andere sectoren. Maar we kunnen de kar niet blijven trekken; als het straks fout gaat, komt er hoongelach over ons heen. Dan zeggen ze: Jullie wilden toch zo graag een optimaal functionerende dienst hebben? Ik heb geen zin om op mijn gezicht te gaan."

Want verzelfstandiging oke, maar facilitair worden is andere koek. Daarom heb ik tegen gestemd. Want mocht dat toch gebeuren en de vakgroepen krijgen veel minder budget, dan gaan wij dat wel merken aan de omzet. Op die manier helpen wij onszelf om zeep. Daar zijn veel mensen bang voor. Juist die mensen die met hart en ziel hebben geploeterd en van onderuit zo'n dienst naar boven zijn gekomen, krijgen allerlei zaken op hun schouders gelegd, waarvoor ze niet voldoende opleiding hebben gehad. Ze worden daardoor onevenredig zwaar belast en gaan er onderdoor. Met het facilitair worden komt er teveel op ze af, zoals administratieve rompslomp en al die nieuwe regels. Dus haken ze af. Tijdelijk. Maar tijdelijk kan ook voorgoed worden en dan gaat er ook veel kennis en ervaring de deur uit."

Bestaansrecht

Wat Van Brakel als goede beleidsvoering ziet, is dat wanneer het faciliteren van alle sectoren eenmaal een feit is geworden, de vakgroepen ook gebruik moeten maken van de diensten van hun sector en niet zelf mogen gaan klussen en dokteren. Want tenslotte moeten wij geld investeren in een facilitair bedrijf en het moet wel uit kunnen."

Maar in een facilitair bedrijf heerst een andere cultuur, vindt Van Brakel. Daar gelden materiele maatstaven. Een technische dienst als onderdeel van een universiteit, dat is heel anders. Hij ervaart dat de loyaliteit, het aanzien en de waardering voor de technische diensten een andere is dan die voor het wetenschappelijk personeel. En waarom? Ze kunnen toch niets zonder ons beginnen?"

Van Brakel kijkt voor zich uit. Peinzend: Ach ja, drie jaar geleden begonnen wij die dienstencommissie. Dat wilden wij graag en het bevalt ons goed. Het is de dienstverlenende tak van de sector. Dat willen wij blijven. We worden toch al steeds zelfstandiger. We hebben onze eigen commissie-kennis, we zijn terzake kundig. We kunnen op de werkvloer waar nodig even ingrijpen. Dat wordt nu allemaal verstoord. In zo'n grote commissie gaat je stem verloren. Hoe zich dat straks ontwikkelen zal? Ik ga eerst de kat uit de boom kijken. Wij hebben helemaal geen zin in die nieuwe dienstencommissie. Wij hebben de indruk dat de vakgroepen wel tevreden zijn zoals het nu reilt en zeilt."

En op de vraag of sectordirecteur Woldendorp zijn voornemen ten uitvoer moet brengen om in het kader van de gevreesde bezuinigingen op de knieen langs de vakgroepen te gaan teneinde wensen en servicebehoeften te inventariseren om aan te tonen dat de technische dienst zijn bestaan waard is, heeft Gradus van Brakel een kort antwoord. We bewijzen ons bestaansrecht al jarenlang."

Re:ageer