Wetenschap - 5 maart 1998

Gezocht: bruggenbouwers tussen techniek en maatschappij

Gezocht: bruggenbouwers tussen techniek en maatschappij

Gezocht: bruggenbouwers tussen techniek en maatschappij
Je kunt het onderzoek niet loskoppelen van sociale normen
De sociale en technische wetenschappers in Wageningen moeten samen een maatschappelijk verantwoorde landbouw vormgeven, aldus het rapport Strategie voor de mens- en maatschappijwetenschappen dat vorige week verscheen. Vooralsnog reageren de gammawetenschappers vooral achteraf op technische ontwikkelingen: ze kijken wat de consument ervan vindt of steken een belerend vingertje op. Als ze de onderzoeksvragen van de technici willen veranderen, moeten ze zich verdiepen in techniek. Omgekeerd moeten de techneuten toegeven dat hun onderzoek niet waardevrij is
Voor technische en maatschappijwetenschappers uit Wageningen ligt de ideale omgeving om samen een onderzoek te bedenken en uit te voeren ver weg. In de tropen, waar het overplanten van westerse technologie geen groot succes is geworden. De wereldvoedselvoorziening is niet louter een productievraagstuk, nee, de mensen daar hebben geen geld om eten te kopen, stelt ontwikkelingseconoom prof. dr Arie Kuyvenhoven. Daarom moeten beta- en gammaonderzoekers samen dat vraagstuk bekijken.
Kuyvenhoven herinnert zich de nuttige inbreng van collega Rob Schipper in het Costa Rica-project van de LUW op het gebied van duurzaam landgebruik. De agronomen en bodemkundigen hadden technische maatregelen in petto voor een duurzaam landgebruik, waarop Schipper ontdekte dat er geen goede productievoorwaarden aanwezig waren: de benodigde arbeidskrachten waren niet voorradig, de arbeidsmarkt zat op slot. De conclusie was: zonder een flexibele arbeidsmarkt heb je geen profijt van technische maatregelen, aldus Kuyvenhoven
Dergelijk geintegreerd onderzoek komt zelden voor in Nederland. In Nederland krijgen de onderzoekers meestal gedetailleerde vraagstellingen, aldus de econoom. Een gemeente wil niet weten of de uitbreiding van de jachthaven wenselijk is en of ze het geld beter kan besteden. Nee, het besluit is eigenlijk al genomen, de onderzoeker moet de effecten van de aanleg op de omgeving bestuderen. Dat zijn marginale vragen en dan heb je geen onderzoeksteam nodig. Een wetenschapsdiscipline kan kleine veranderingen goed aangeven.
Slachtgewicht
Kuyvenhoven is mede-opsteller van het rapport Strategie voor de mens- en maatschappijwetenschappen, dat een lans breekt voor de Wageningse maatschappijwetenschappers als initiator van nieuwe technische onderzoeksprogramma's. De Wageningse betawetenschappers moeten hun onderzoeksvraag afstemmen op maatschappelijke knelpunten en wensen, vertaald en geanalyseerd door sociologen, economen, juristen en filosofen. Daarbij is de universiteit niet, zoals onderzoeksinstituten en ingenieursbureaus, geheel afhankelijk van de opdrachtgever met zijn beperkte vraagstelling, meent Kuyvenhoven. De universiteit is onafhankelijk en kan zelf bepalen welke vraagstelling ze wil onderzoeken.
Het rapport noemt een voorbeeld van een probleem in Nederland waarbij de maatschappijwetenschappers het voortouw moeten nemen: de varkenscrisis. Het gaat in de varkenssector niet meer om de optimalisatie van slachtgewicht, vetgehalte en voortplanting, maar om een maatschappelijk aanvaardbare behandeling van dieren en productie in harmonie met natuur en milieu. Het gaat hier om waarden en normen, ethiek, keuzegedrag, sociale interactie, maatschappelijke beslissingsprocessen, kortom: om de mens. De vraag is: kunnen de Wageningse zootechnici iets met deze omvangrijke, complexe vraagstelling?
Dr ir Tette van der Lende van de leerstoelgroep Veefokkerij en genetica ondervindt een toenemende invloed van de maatschappij op zijn onderzoeksagenda en heeft daar geen moeite mee. Hij accepteert dat het ministerie van LNV het onderzoek naar nieuwe voortplantingstechnieken, zoals kloneren, en transgenese tussen 1990 en 1995 heeft stopgezet. Hij weet dat de reproductie van dieren via kloneren en embroytransplantatie voordeliger is voor de sector dan kunstmatige inseminatie, maar dat deze omstreden technieken zo gevoelig liggen dat ze niet geintroduceerd kunnen worden. Maar hij weet ook dat deze technology push wel degelijk ook de toekomstige onderzoeksagenda zal bepalen
We bespreken nu binnen Zodiac of we toch niet onderzoek naar transgenese moeten doen, om inzicht te krijgen in de werking van genen die betrokken zijn bij de reproductie. Zie de ontwikkeling in Edinburgh en de Verenigde Staten: met behulp van klonering en transgenese kun je, net als bij knock out-muizen, de werking van genen bestuderen. Als we besluiten dat we dit willen, komen er zeker maatschappelijke bezwaren. De ethische commissie voor biotechnologie bij dieren kan dan een uitspraak doen in dit spanningsveld.
De leidraad voor Van der Lende is in zulke gevallen dat hij van de veehouderijsector of consumentenonderzoekers wil horen of de markt of de consument de nieuwe techniek pikt. Met deze vorm van technology assessment kan hij uit de voeten. Hij heeft er echter moeite mee als de dierexperimentencommissie van de LUW aangeeft geen behoefte te hebben aan een aio-project om maatschappelijke of ethische redenen. Ze kunnen wel zeggen er zijn al genoeg varkens, maar ik wil weten hoe het gen de vruchtbaarheid van varkens reguleert.
Voeropname
Zijn collega dr ir Ab Groen, van huis uit bedrijfseconoom, maakt zich sterk voor selectie van vee op gezondheid, voeropname en vruchtbaarheid. Die drie factoren zijn van belang in de bedrijfseconomie en de perceptie van de consument, aldus Groen. Ook wil hij het begrip diversiteit vertalen in het fokprogramma. Als de consument graag een viergranen-ei eet, dan moeten wij bedenken: wat voor kip hoort daarbij? Je moet de diversiteit aan producten doortrekken op dierniveau. Zie de opkomst van de keurmerken: die moeten zich kunnen onderscheiden.
Meer dan bij Van der Lende reikt de maatschappelijke invloed bij Groen tot in het DNA-lab. De variatie aan eigenschappen ligt uiteindelijk op het genniveau. Ook in het lab speelt de keuze: naar welke genen en eigenschappen ga je kijken? Hij overlegt nu in een EU-project met 34 andere zootechnische onderzoeksgroepen hoe het dierenwelzijn kan worden verbeterd. De inbreng van buiten bestaat uit veterinairen en statistici, maar de maatschappijwetenschappers ontbreken aan de tafel tijdens de workshops van dit project
De zootechnici letten goed op welke maatschappelijke voorwaarden financiers als het ministerie van LNV, de EU en de veehouderijsector stellen. Verder hebben ze behoefte aan markt- en consumentenonderzoek om de haalbaarheid van nieuwe technieken en producten te achterhalen. Maar de economen, sociologen en juristen komen niet in beeld als actieve deelnemers bij het opstellen van hun onderzoeksprogramma's. Ze hebben geen initierende rol, zoals het rapport wil, maar nog steeds een ondersteunende rol
Legbatterijkippen
Filosoof ir Suzan Lijmbach vindt de rol die de zootechnici haar toebedelen dan ook te plat, te empirisch. De technische wetenschappers hebben de diversiteit en bedrijfsstijlen van Jan Douwe van der Ploeg nu ontdekt, maar je bent er niet met projecten over de viergranen-kip voor biologische veehouders. De rest van het onderzoek verandert er niet door, het is: u vraagt en wij draaien. De doelstelling achter deze projecten, de noodzaak van diversiteit, moet onderdeel uitmaken van het onderzoeksbeleid op Zodiac. Tegen een onderzoek naar legbatterijkippen moet je dan nee kunnen zeggen. Je kunt het onderzoek niet loskoppelen van sociale normen. Het oude onderzoek was ook normatief, het was sterk gericht op efficientie. Er is dus een nieuw onderzoekskader nodig: hoe doe je onderzoek als je voor meerdere typen bedrijven oplossingen wilt verzinnen? Daar heb je de gammawetenschappers bij nodig.
Ook dr ir Guido Ruivenkamp van de leerstoelgroep Technologie en agrarische ontwikkeling (TAO) ziet geen landbouw met nieuwe normen en waarden ontstaan als de maatschappijwetenschappers zich beperken tot de vraag wat de markt of de consument wil. Het klassieke beeld is dat vraag en aanbod als anonieme krachten samenkomen op de markt. Iedereen weet inmiddels dat het zo niet werkt, de vraag wordt geproduceerd. Bedrijven geven niet alleen geld uit om producten te produceren, maar ook om producten geaccepteerd te krijgen. Je moet ook kijken in welke sociale setting de producten tot stand komen. Tegenwoordig liggen er veel verschillende broden bij de bakker, maar dat is een verscheidenheid op industriele wijze, met dezelfde grondstoffen. Dat is wat anders dan een speciaal brood op basis van een eigen graansoort.
Veiligheidsgordel
In tegenstelling tot Lijmbach praat de socioloog Ruivenkamp niet over nieuwe conceptuele onderzoekskaders. Hij gelooft juist wel in gezamenlijke specifieke projecten met technische wetenschappers. Je moet samen met hen een project opzetten, de sociale en technische aspecten bediscussieren en nagaan waaraan gewerkt moet worden. Dat betekent dat beide partijen bereid moeten zijn om afstand te nemen van hun eigen deskundigheid en invalshoek. Je moet je als maatschappijwetenschappen verdiepen in de technische aspecten.
De werkgroep TAO wilde na haar ontstaan per se gehuisvest worden tussen de technische wetenschappers van de LUW. Veel Wageningse maatschappijwetenschappers nemen afstand van de techniek, ze bekritiseren technisch onderzoek van buitenaf en praten over de gevolgen. Ze moeten geen preken houden, maar interesse krijgen in de technische mogelijkheden. De Wageningse gammawetenschappers moeten niet praten over veiligheid, maar helpen een goede veiligheidsgordel te ontwerpen.
Omgekeerd moeten de technische wetenschappers hun werkrelaties ter discussie stellen, meent Ruivenkamp. We gaan op dit moment na hoe het komt dat de Wageningse genenbank de Zeeuwse vlegelboeren niet kan ondersteunen. Die Zeeuwse boeren werken met oude tarwevarieteiten die niet meer op de rassenlijst voorkomen. De veredelingsbedrijven hebben die varieteiten niet meer, de genenbank werkt vooral met die bedrijven. We willen boeren en genenbank nu bij elkaar brengen, zodat de laatste materiaal ter beschikking stelt.
Tijdens dit project wil Ruivenkamp van de bedrijven en Wageningse onderzoekers weten of ze louter veredelen voor een uniforme teeltpraktijk met een hoge opbrengst. Dat is een sociaal-technisch aspect dat we ter discussie stellen. Als ze alleen voor opbrengst kiezen, bepaalt dat hun positie binnen de productieketen en hun werkrelaties. Uit die relaties vloeien de onderzoeksvragen voort. Ruivenkamp wil daarom de relatienetwerken van onderzoekers verbreden. De biotechnologie lijkt niets te maken te hebben met de ecologische landbouw. Is dat nodig? Onze taak is om daartussen te bemiddelen.

Re:ageer