Wetenschap - 11 juli 1996

Geur

Geur

Veel sluipwespen leggen het liefst eieren in de gastheer van wie ze de geur herkennen omdat ze er zelf zijn opgegroeid. De sluipwesp Cotesia flavipes laat zich echter in haar keuze voor een gastheer niet beinvloeden door eerdere geurervaringen. Niettemin heeft C. flavipes meer nakomelingen wanneer ze eieren legt in de gastheer waarop de stam normaal voorkomt. Dit constateerde entomoloog dr R. P.J. Potting, die 17 juni op het gedrag van deze sluipwesp promoveerde bij entomoloog prof. dr J.C. van Lenteren.

C. flavipes legt haar eieren onder meer in rupsen die eten van rijst-, mais- en suikerrietstengels. Een zo'n rups, de maisstengelboorder, is in Afrika berucht sinds zij daar rond 1960 per ongeluk vanuit Zuid-Azie terecht kwam. Met het International Centre for Insect Fysiology in Kenya onderzoekt de vakgroep Entomologie hoe sluipwespen zijn in te zetten bij de biologische bestrijding van de rups. Meer inzicht in het fourageergedrag van de sluipwesp kan de betrouwbaarheid van dit type bestrijding vergroten.

Potting bood steeds twee groepen sluipwespen verschillende geurvelden aan. De testgroepen waren opgegroeid in verschillende gastheersoorten of op verschillende planten, of hadden geleerd daar hun eieren te leggen.

De voorgeschiedenis leverde geen voorkeur op voor een bepaalde geur. Potting vermoedt dat het deze sluipwesp aan leergedrag ontbreekt omdat de moeite van het onthouden vaak niet opweegt tegen het profijt. De kans dat het vrouwtje bij het eileggen door de rups gedood wordt, is namelijk meer dan een derde.

De promovendus vergeleek ook zes stammen afkomstig uit Pakistan, Mauritius, Indonesie en de Verenigde Staten. Hoewel de verschillende stammen al jaren op een eigen gewas of gastheer leven, vertoonden ook zij in het laboratorium geen preferentie voor hun eigen gewas of gastheer. Wel bleek het aantal geproduceerde nakomelingen groter op de gastheer of het gewas waarop de stammen gewend zijn te leven. Daarmee zou het bestaan van plant-specifieke C. flavipes-stammen dus niet berusten op selectie, concludeert Potting, maar op betere fysiologische aanpassing. Voor een betrouwbare biologische bestrijding is het dus van belang daarop te letten.

Re:ageer