Wetenschap - 6 juli 1995

Fulbe-samenleving in Mali raakt ontwricht

Fulbe-samenleving in Mali raakt ontwricht

Meer aandacht voor eco-vluchtelingen broodnodig

Beelden van trotse Afrikaanse nomaden die droogtes en ander onheil weerstaan, zijn dringend aan herziening toe. Twee promovendi zagen bij de Fulbe in Mali een samenleving in ontbinding, die worstelt met misoogsten, migratie en haar eigen identiteit. Sombere berichten uit de Sahel en kritische noten over wetenschap en ontwikkelingshulp.


De Novib zegt dat het goed gaat in de Sahel. Maar dertig kilometer voorbij het asfalt ben je met je Toyotaatje vooral druk met het verstrekken van voedselhulp. Een kindersterfte van 35 procent, dat is toch verschrikkelijk?" De kersverse promovendi Mirjam de Bruijn (Universiteit Utrecht), antropoloog, en Han van Dijk (LUW), antropoloog en bosbouwer, doen geen moeite hun ergernis te verbergen. De grote droogtes zijn weliswaar voorbij, maar honger en ellende zijn alom aanwezig in Mali. Hier deed het echtpaar van 1990 tot begin 1992 onderzoek bij de Fulbe, ook wel Peul of Fulani genoemd. Dorpsstudies en naspeuringen in literatuur en historische archieven resulteerden in een zorgwekkend beeld van een onthechte samenleving, waarin de zwakkeren aan het kortste eind trekken.

De Fulbe-samenleving kent van oudsher een strikte hierarchische opbouw. Zo is de politieke macht in handen van de Weheebe. De Jallube, de nomadische veehouders, behoren net als de Weheebe tot de nobelen. De Riimaybe, voormalige slaven, hebben hun plek onder aan de maatschappelijke ladder.

Maar de verhoudingen zijn inmiddels grondig veranderd. De veelal als ongenaakbaar afgeschilderde Jallube verkeren in ernstige moeilijkheden. Hun ontreddering is de resultante van een eeuwenoud proces dat versneld werd door de droogtes van de jaren zeventig en tachtig, zo leert het omvangrijke proefschrift van De Bruijn en Van Dijk. Van origine streden de Jallube tegen de oorlogszuchtige Touareg uit het noorden. De chiefs gaven hen in ruil daarvoor een deel van de oorlogsbuit, verzekerden hun graanvoorziening en beschermden hen tegen een opdringerige overheid. Maar hun rol als krijger werd steeds minder belangrijk. De Fransen verbraken definitief de wederkerige relatie van de Jallube met de chiefs. De Europese kolonisatoren dwongen de chiefs tot inning van belasting, waarop de Jallube werden aangeslagen voor de aantallen vee die ze bezaten.

Waterputten

Ook verslechterde de relatie met de Dogon, een volk dat zich toelegde op de akkerbouw. Deze groep had geen behoefte meer aan bescherming door de Jallube. Doordat de Dogon zelf meer vee gingen houden en zo eigen mest verkregen, zagen ze passerende Jallube-kuddes steeds meer als bedreiging van de gierst. De Dogon breidden het akkerbouwareaal rond nieuw geslagen waterputten uit en concurreerden daarmee om de schaarse natuurlijke hulpbronnen. De Jallube, voormalige krijgers, zagen zich gedwongen in de natte tijd hun eigen graan te verbouwen op de zanderige gronden waar de koeien graasden. Deze taak rust nog steeds volledig op de schouders van de mannen, want tradities verbieden dat Jallube-vrouwen op het veld werken. Zij zijn belast met de melkproduktie en -verwerking en de verkoop of ruil van melk tegen graan.

Tijdens de droogtes van de afgelopen decennia raakte de neergang van de Jallube in een stroomversnelling. Oogsten mislukten en de melkproduktie liep enorm terug. Voor de graanaankoop moesten ze afstand doen van hun laatste statussymbool, het vee. Vele honderdduizenden sterk vermagerde dieren werden tegen uiterst lage prijzen verkocht. En doordat ze sinds 1980 nauwelijks meer een goede oogst hadden, is het gros van de Jallube nooit meer uit de neergaande spiraal gekomen. In Serma, een van de onderzoeksdorpen, was theedrinken verworden tot een ongekende luxe. Omliggende Jallube-nederzettingen bevestigden het beeld van structurele armoede.

De Riimaybe werden minder zwaar getroffen. De voormalige slaven bewerkten kleigronden, die het water beter vasthielden, en verzamelden en brousse produkten als woestijnmeloen en kruiden - iets wat de Jallube absoluut beneden hun stand achtten. De Riimaybe-vrouwen hielpen op het land en sommige mannen migreerden tijdelijk naar Burkina Faso waar ze goud zochten of in de stad werkten. Ook de Dogon beschikten over deze alternatieven. De Weheebe exploiteerden hun politieke macht. Zo incasseerden chiefs belastingen en een deel van de oogst, zonder daar iets tegenover te stellen.

Schaamte

Dit alles draagt bij aan een verarming en versplintering van de Jallube-gemeenschap, vertelt De Bruijn. Beslissingen over kuddes en graanteelt - kwesties van leven of dood - leiden tot toenemende conflicten tussen oudere en jongere generaties. Een gebrek aan effectieve communicatie, door een traditioneel verbod op rechtstreeks contact tussen vader en zoon, versterkt die conflicten. Bij verkoop van beesten wordt eerst het vee van de vrouwen verkocht, om de spanning te verminderen. Dat ondergraaft hun autonomie. Ook staan de traditionele hulprelaties onder druk. Dorpelingen ontwijken elkaar uit schaamte voor hun armoede en trekken zich terug rond de eigen kookpot. Zieken en ouderen vallen buiten de boot.

Menigeen zoekt de verklaring van alle onheil in de wil van Allah en klampt zich vast aan de islam, die expliciet de steun aan zwakkeren propageert. Kinderen worden naar koranscholen gestuurd en vrouwen uitgehuwelijkt aan geestelijk leiders, wat de kansen op een positieverbetering vergroot. De Bruijn spreekt over een existentiele crisis; alle Jallube-zekerheden zijn weggeslagen, wat leidt tot waanzin of tot een vlucht naar de stad.

De opeenstapeling van ellende doet de vraag rijzen waarom niet iedereen het onderspit delft. Volgens Van Dijk ligt dat deels aan een uitgekiend grondgebruik. In de natte tijd verbouwen de Jallube graan en trekken de zonen met het vee over de weidegronden in de omgeving. Na de oogst eet het vee de stoppels, daarbij het veld bemestend. Afhankelijk van de te verwachten hoeveelheden graan, melk, gras en water wordt beslist waar het vee in de droge tijd zal grazen. Indien nodig trekken de Jallube lange tijd weg, om voor de eerste regens weer terug te keren. Binnen dit grove plaatje moeten bewoners voortdurend inspelen op sterk wisselende ecologische omstandigheden. Dat komt neer op een opeenstapeling van dagelijkse beslissingen, gevoed door boerenkennis. Slechts het flexibele samenspel van veehouderij, akkerbouw en een vrije toegang tot omliggende gronden maakt overleven in de Sahel mogelijk, meent Van Dijk.

Reservaat

Maar aan deze pijler wordt stevig geknaagd, doordat de staat zich steeds meer doet gelden. Tijdens de droogtes kwam ineens ontwikkelingsgeld beschikbaar. De Malinese overheid wierp een marginaal gebied in de strijd, vijf keer zo groot als Nederland en voorheen nauwelijks interessant voor politici. Maar nu toog de organisatie ODEM aan de slag om de primitieve veehouderij te verbeteren en de vleesproduktie te rationaliseren, gesteund door de Wereldbank. Een van de projecten bevond zich vlak bij de onderzoekslocatie van de Nederlanders. Een gebied van twaalfduizend hectare is omgedoopt tot reservaat. Hier mogen alleen in het droge seizoen drieduizend stuks vee grazen, tegen betaling. Deze beperking moet een optimale vleesproduktie verzekeren. Voor de Jallube pakt dit slecht uit. De chief die de toegang tot het reservaat regelt, laat voornamelijk de rijkeren toe, die het meest betalen.

De problemen kunnen nog verder oplopen, stelt Van Dijk. ODEM wil een veelvoud van dergelijke reservaten instellen om in totaal tweehonderdduizend stuks vee uit de overvolle binnendelta van de rivier de Niger te herbergen. Als dat gebeurt, beperk je de flexibele rechten op hulpbronnen en de mogelijkheden om handig op droogtes in te spelen. Je haalt daarmee de basis van de Fulbe-samenleving onderuit", oordeelt Van Dijk.

Voorlopig loopt het niet zo'n vaart, want de Wereldbank heeft zich teruggetrokken wegens wanbeleid van ODEM en een nieuwe donor laat op zich wachten. Toch staan nu al de alternatieven voor beweiding onder druk. Veel vee is tijdens de droogte tegen zeer lage prijzen opgekocht door handelaren. Zij laten deze kuddes in de natte tijd in het onderzoeksgebied grazen, waardoor het gebied te vol wordt.

Volgens beide antropologen onderstreept het funeste ODEM-plan de noodzaak van gedegen onderzoek, alvorens hulpverleners intervenieren. Ontwikkelingsorganisaties willen echter volgens De Bruijn snel hun plannen uitvoeren, hebben daardoor weinig oog voor de complexiteit van de situatie en committeren zich bijna automatisch aan incapabele overheidsdiensten die niet opkomen voor arme groepen. De Bruijn rept over een gapende kloof tussen wetenschap en ontwikkelingswerk. Dit betekent niet dat iedere hulpverlener een paar jaar in een dorp moet gaan zitten, voor hij de handen uit de mouwen steekt. Maar het lezen van relevante literatuur verkleint de kans op brokken.

Modellen

Eenzelfde scepsis valt het Wageningse Instituut voor Agrobiologisch en Bodemvruchtbaarheidsonderzoek (AB-DLO) ten deel, dat werkt aan modellen die ondermeer de potentiele landbouwproduktie en de draagkracht van gebieden kwantificeren bij een bepaald type landgebruik. De gesignaleerde variaties en de bedrijfsvoering van dag tot dag bewijzen volgens Van Dijk dat de Fulbe-boeren nooit handelen vanuit strikte doelstellingen. Dat maakt voorspellen tot een weinig betrouwbare onderneming. Een stelling die AB-DLO onderzoeker dr Henk Breman deels onderschrijft. Hij ziet de gedetailleerde promotie-studie daarom als waardevolle aanvulling op de bestaande modellen.

Toch geven volgens Breman modellen voor niet te kleine arealen en over langere periodes verantwoorde gemiddelden en scenario's. Vooral de jongste versies zijn aanzienlijk nauwkeuriger dan beide promovendi suggereren. Breman bestrijdt ook de bewering van Van Dijk dat de onderzoekslocatie meer vee kan herbergen, zonder dat dit tot degradatie leidt. Al voor de droogte van de jaren zeventig wezen Franse studies op tekenen van overbeweiding, vertelt Breman. Hierdoor loopt de toplaag van de bodem gevaar, waarin de schaarse voedingsstoffen zijn geconcentreerd.

De gevolgen zijn inmiddels zichtbaar, argumenteert Breman. De huidige samenstelling van de vegetatie verschraalt en het aantal bomen neemt af. Bij zandgronden, zoals in het onderzoeksgebied van Van Dijk, is deze teruggang weliswaar minder duidelijk, doordat het regenwater beter infiltreert. Toch bestaat de achteruitgang ook daar. Breman meent dat Van Dijk te weinig rekening houdt met deze nuances, waardoor de studie het gevaar voor overbeweiding onderschat.

Van Dijk antwoordt dat de precieze relatie tussen beweidingsdruk en verandering van vegetatie goeddeels onbekend is en dat de invloed van regenpatronen in de modellen onderbelicht blijft. Een onderwerp dat hij verder wil aankaarten bij AB-DLO.

Bovenal willen beide promovendi binnenkort weer naar Mali afreizen voor een vervolgonderzoek onder ecologische vluchtelingen. De Bruijn: We bezochten tijdens ons verblijf een weggetrokken Jallube-groep die we kenden uit eerder onderzoek in 1987. Allen waren sterk vermagerd en apathisch. Het was verschrikkelijk deprimerend, we hielden het nauwelijks een half uur uit." Deze onthechting en armoede is een blinde vlek in de pers en literatuur, meent De Bruijn. Journalisten en onderzoekers zouden niet alleen oog moeten hebben voor oorlogs-, maar ook voor eco-vluchtelingen.

Re:ageer