Wetenschap - 20 april 1995

Fax | Bangladesh

Fax | Bangladesh

Hans Middendorp studeerde in 1985 in Wageningen af als bioloog met als hoofdvak Visteelt. Sindsdien is hij ontwikkelingswerker, eerst als vrijwilliger in Thailand voor het Britse VSO, toen als Assistent Technique in Kameroen voor SNV en daarna als consultant. Momenteel werkt hij als Chief Technical Advisor op een geintegreerd visserij-project van DANIDA in Bangladesh.


Heel lang hebben ontwikkelingsdeskundigen de aquacultuur (de teelt van vis en andere waterorganismen) gezien als het middel bij uitstek om ondervoeding in Derde Wereldlanden te bestrijden. Gebrek aan dierlijk eiwit in het dagelijks menu van zuigelingen en kleuters kan leiden tot beduidend minder goede leerresultaten later op school. Keer op keer is echter gebleken dat het idyllische beeld van de Kleine Boer die uit een Kleine Vijver naast zijn huis elke dag twee Kleine Visjes vangt om aan zijn Kleine Kinderen te eten te geven, niet realistisch is. In de praktijk zijn boeren alleen in visteelt geinteresseerd als ze er contant geld aan kunnen verdienen!

Veel mensen op het platteland van de Derde Wereld hebben echter geen geld om relatief dure gekweekte vis te kopen. Iedereen voorziet namelijk min of meer in z'n eigen basisbehoeften, waardoor het aanbod al gauw groter is dan de vraag en de boeren dus lage prijzen krijgen voor hun landbouwprodukten. Het algemene gebrek aan koopkracht is een enorme belemmering voor de ontwikkeling van de agrarische produktiemogelijkheden. Hier zit dus een bottleneck waarmee een ontwikkelingsproject gericht op Kleine Boeren (Armoedebestrijding als een van de speerpunten van het Nederlandse ontwikkelingssamenwerkingsbeleid) terdege rekening moet houden.

De traditionele (Westerse) benadering ter verhoging van de produktie is altijd High-cost, high-output geweest, waarbij door omzetvergroting toch een flinke winst wordt genoten. Deze benadering is echter een doodlopende weg in een samenleving waar boeren gewoon geen geld hebben om te investeren of zelfs maar de lopende kosten te financieren, terwijl ze produceren voor een markt zonder koopkracht. Als je dan, om financieel te overleven, plots moet ophouden met het gebruiken van dure inputs, stort natuurlijk even later de produktie in elkaar. In Afrika is dat ook gebeurd met de naar schatting 300.000 visvijvers, die na de onafhankelijkheid werden verwaarloosd omdat de voorlichtingsdiensten ophielden met functioneren. Deze onbeheerde vijvers zijn een cynisch voorbeeld van het andere uiterste, een zogenaamd No-cost, no-output systeem.

De ontwikkeling van de landbouw moet dus uitgaan van een Low-cost, low-output benadering: minimale produktiekosten met een slim gebruik van de weinige goedkope inputs zodat toch een redelijke visoogst kan worden gerealiseerd. Dure inputs, zoals speciaal visvoer, moeten zoveel mogelijk worden vermeden. Voorts is de hoeveelheid tijd, die een boerenfamilie beschikbaar heeft voor de visvijver, beperkt. Kleine Boeren in de Derde Wereld ontlenen hun bestaanszekerheid immers aan een scala van kleine activiteiten, en visteelt moet daarin ingepast kunnen worden.

Low-cost, low-output aquacultuursystemen zullen per regio sterk varieren. Wat op de ene plaats een gratis afvalprodukt is dat kan worden gebruikt om de visproduktie te verhogen, kan elders juist een hoge economische prijs hebben, alleen al door de transportkosten. Het optimaliseren van Low-cost, low-output systemen, die natuurlijk vanuit vis-technisch oogpunt altijd sub-optimale produktiesystemen zijn (compromissen), betekent een zo goed mogelijke aanpassing aan de lokale omstandigheden. Dit komt dus neer op een pleidooi voor maximale participatie van de potentiele vis-boeren als toekomstige gebruikers, want zij zijn per definitie de deskundigen op het gebied van de plaatselijke sociaal-economische en sociaal-culturele omstandigheden.

De doelstelling is dus niet om een systeem te hebben dat goede resultaten oplevert op het veldstation, maar juist om een systeem te ontwikkelen dat werkt in de praktijk, en dat voldoende fool's proof is! Er wordt echter in veel projecten die zijn gericht op de introductie van kleinschalige visteelt bij Kleine Boeren, ten onrechte vanuit gegaan dat alle informatie voor het succesvol kweken van vis reeds al van te voren bekend is. In het gunstigste geval leidt dit tot vertraging van het ontwikkelingsproject, omdat toch eerst de gepropageerde aquacultuursystemen zullen moeten worden geoptimaliseerd onder de lokale economische en culturele condities. Kwalijk wordt het echter als ten gevolge van die verkeerde tijdsplanning wordt besloten om het visteeltproject voortijdig af te breken, omdat resultaten die werden behaald, hoewel op zich vaak best succesvol, niet vallen onder de doelstellingen in het oorspronkelijke projectdocument.

Het is daarom belangrijk om te benadrukken dat het ontwikkelen van een Low-cost, low-output aquacultuursysteem, dat optimaal is aangepast aan de lokale omstandigheden, meestal veel tijd vergt. Eerst moet voldoende tijd worden uitgetrokken voor een inceptie- of testfase: een inventarisatie van de bestaande produktiemethodes en een evaluatie van de mogelijke verbeteringen, gevolgd door een aantal tests van dit verbeterde systeem. Zo'n testperiode kan al gauw twee jaar duren.

Daarna kan pas worden begonnen aan de eigenlijke doelstellingen van het ontwikkelingsproject, namelijk het op grote schaal introduceren van het aangepaste, geoptimaliseerde visteeltsysteem. Deze implementatiefase van 3 a 4 jaar wordt bij een positieve evaluatie vaak nog gevolgd door een tweede fase. Tenslotte komt er dan nog een consolidatiefase van bijvoorbeeld nog eens twee jaar, gevolgd door een overgangsfase (weaning phase), waarbij nog beperkte technische assistentie of budgetondersteuning plaatsvindt om er voor te zorgen dat de projectresultaten kunnen beklijven. De totale duur van een visteeltproject bedraagt zo dus al gauw 10 jaar of nog langer!

Het is wenselijk dat internationale donoren bij de beoordeling van projectaanvragen gericht op de introductie van kleinschalige aquacultuur, zich in beginsel voor zo'n lange periode willen vastleggen. Alleen een werkelijk, langdurig commitment van de donor geeft voldoende kans op een regionale ontwikkeling van visteelt, leidend tot een autonome kleinschalige bedrijfstak."

Re:ageer