Wetenschap - 15 mei 1997

Epidemiologen kijken te weinig op de klok

Epidemiologen kijken te weinig op de klok

Epidemiologen kijken te weinig op de klok
Symposium belicht de factor tijd in het voedingsonderzoek
Bij onderzoek naar de relatie tussen voeding en gezondheid krijgt de factor tijd weinig aandacht, meent dr Pieter van 't Veer. Toch is het voor preventiemaatregelen van belang om te weten op welke leeftijd een verandering in het voedingspatroon het meeste zin heeft. Als iedereen nu zo'n vierhonderd gram groente en fruit per dag gaat eten, vermindert dat waarschijnlijk direct het aantal mensen dat last krijgt van hart- en vaatziekten. Pas later komt darmkanker minder voor en het duurt misschien dertig jaar voordat het aantal vrouwen met borstkanker afneemt. 24 April hield de Nederlandse Vereniging voor Epidemiologie in Wageningen een symposium over dit thema
Het tijdvenster waar je door kijkt kan varieren van een dag tot een hele generatie. Vaak kijken epidemiologen maar op een zo'n tijdschaal. Zoals bij besmet voedsel, waar ze bestuderen hoeveel mensen er binnen 24 uur buikpijn en diarree van krijgen. Dat een kleine groep mensen op de langere termijn veel ernstiger klachten overhoudt, blijft vaak buiten beeld. Ook de duur van de blootstelling kan verschillen. Je kunt kort of lang gerookt hebben, je kunt al jaren hetzelfde eetpatroon hebben of op een studentenafdeling met wisselende bewoners tijden veel en tijden weinig patat eten
Bij epidemiologische studies, waarin de relatie tussen blootstelling en ziekte wordt onderzocht, verdwijnt de tijdsdimensie vrijwel ongemerkt, zo licht organisator Van 't Veer de keuze voor het thema toe. Volgens spreker prof. dr Charles Poole van de Boston University worden ook in de klinische epidemiologie regelmatig risico's van operaties uit verschillende studies vergeleken zonder met de tijdsdimensie rekening te houden. Dan is er in de ene studie bijvoorbeeld tien uur na de operatie naar het optreden van complicaties gekeken en in een andere studie pas na twee dagen. Niet alleen het verschil in het soort operatie veroorzaakt zo het verschil in risico, ook de onderzoeksmethode kan verantwoordelijk zijn
En de Nederlandse kankerbestrijding voert campagne met de slogan: Bordje gezond; minder vet, meer groente en fruit, minder kanker. Kankerbestrijders stellen dat het eten van de aanbevolen 400 gram groente en fruit in plaats van de 250 gram die de meeste mensen nu eten, de kans halveert dat je getroffen wordt door kanker. De wetenschappelijke literatuur rechtvaardigt die stelling wel, maar je houdt dan geen rekening met de factor tijd, vindt Van 't Veer. De vraag is wanneer dat gunstige effect optreedt. Dat kan meteen na het eten van meer groente en fruit zijn, dat kan jaren duren of het kan al te laat zijn
Mutaties
Het eten van meer groente en fruit op veertigjarige leeftijd helpt nauwelijks om de kans op borstkanker te verkleinen, zegt Van 't Veer. Tussen de puberteit en de geboorte van het eerste kind ligt dat wellicht anders. De kans op schadelijke mutaties in ongedifferentieerd weefsel is volgens de huidige theorieen namelijk het grootst als er veel van dit soort weefsel is. Bij de geboorte van een eerste kind wordt een groot deel van het ongedifferentieerde weefsel omgezet in klierweefsel. De kans op schadelijke mutaties neemt dan enorm af
Bij roken duurt het zo'n vijftien jaar voordat het risico op longkanker van een ex-roker verlaagd is tot het niveau van iemand van dezelfde leeftijd die nooit gerookt heeft. Toch heeft stoppen met roken onmiddellijk zin: het helpt de kans op een hartinfarct te verkleinen. Een hartinfarct wordt namelijk niet alleen veroorzaakt door dichtgeslibde vaten maar ook door bloedstollingsfactoren. Roken heeft een directe, ongunstige invloed op de bloedstolling
Het effect van veranderingen van eetpatronen in de tijd is moeilijk te onderzoeken. Epidemiologen gebruiken voor hun onderzoek graag oudere mensen die nauwelijks veranderende eetpatronen hebben. Dat levert de duidelijkste verbanden op tussen eetpatroon en volksgezondheid. Een hoop jongeren hebben echter niet zo'n constant eetpatroon; ze proberen bijvoorbeeld veel meer exotische kost. Ze zijn als het ware nog op zoek naar hun eetpatroon. Of misschien blijven ze altijd wel sterk varieren.
Bij roken is het onderzoek makkelijker. Mensen roken of roken niet; die groepen kun je met elkaar vergelijken. Een wetenschapper kan echter geen groepen van eters en niet-eters met elkaar vergelijken. Bovendien kunnen proefpersonen zich hun rookverleden veel beter herinneren dan hun vroegere eetgewoonten. Eetpatronen van langer dan een jaar geleden zijn met vragenlijsten al niet meer betrouwbaar te achterhalen. Meestal meten de onderzoekers de voedingsgewoontes van een groep mensen in een jaar. Vervolgens gaan ze zitten wachten tot er ziektes optreden, vertelt Van 't Veer. In de tussentijd kunnen eetgewoonten veranderen; voedingsvoorlichting of het opduiken van vermeende of echte ziektesymptomen kan daarvoor zorgen. Het verband tussen oorzaak en gevolg is dan erg lastig te bepalen.
Interventiestudies zijn ook geen oplossing. Iemand twintig jaar verplichten elke dag vierhonderd gram groente en fruit te eten is praktisch niet echt uitvoerbaar. Twintig jaar is ook wel erg lang. In de tussentijd kunnen er directe relaties gevonden zijn of kunnen de inzichten wijzigen. Een dergelijk groot en langdurig experiment heeft ook effect op de controlegroep. Mensen horen dat wat de andere groep eet gezonder wordt geacht en er komen ook nieuwe producten op de markt waarin die nieuwe inzichten zijn verwerkt. Zo heeft de levensmiddelenindustrie de laatste jaren op basis van wetenschappelijke inzichten de hoeveelheid verzadigd vet in allerlei producten verminderd
Poliepen
Darmkanker is een uitzondering; daar kun je het effect van een veranderde voeding makkelijker onderzoeken. Voeding heeft een groot effect op het ontstaan van darmkanker; de darm wordt direct blootgesteld aan ons voedsel. Voordat darmkanker ontstaat komen er eerst poliepen, waarvan enkele soorten darmkanker veroorzaken. Zo'n twintig a veertig procent van de vijftigjarigen heeft zulke poliepen, die je in het ziekenhuis kunt laten verwijderen. Ze kunnen echter weer terugkomen en het voedingspatroon heeft daar invloed op.
Behalve over de termijn waarop voedingsveranderingen effect hebben, is er ook relatief weinig bekend over twee tijdschalen in het onderzoek naar de relatie tussen voeding en gezondheid; het effect binnen 24 uur en het effect over de generaties heen. Prof. dr Mike van Schothorst, werkzaam bij Nestle in Zwitserland en sinds kort hoogleraar in de voedselveiligheid aan de LUW, maakte zich in zijn lezing sterk voor meer onderzoek naar het schadelijk effect van voedsel op de hele korte termijn en het beter kwantificeren van die gegevens. De voedingsindustrie wil bijvoorbeeld een acceptabel basishygiene garanderen. Daarom is het belangrijk te weten hoeveel miljoen van een bepaalde bacterie een mens kan verdragen
Zwangerschap
Ook naar de relatie tussen voeding en vruchtbaarheid wordt weinig onderzoek gedaan. Spreker prof. dr Jens Peter Bonde vertelde dat Deense onderzoekers bij een groep mannen wier dieet voor meer dan 25 procent uit onbespoten groente bestond, sperma aantroffen met een zaadconcentratie van zo'n honderd miljoen per milliliter. Dat is bijna twee keer zoveel als bij mannen die voedsel uit de gangbare landbouw eten. Voor de kans op een zwangerschap maakt dat verschil in concentratie overigens niet veel uit. Daalt de concentratie bij mannen die gangbare landbouwproducten verder, dan wordt de kans op een zwangerschap waarschijnlijk wel kleiner
Het artikel in The Lancet waar Bonde aan refereerde, vermeldt dat er geen duidelijke dosis-responsrelatie werd gevonden. Dat kan een reden zijn om te twijfelen aan het bestaan een oorzakelijk verband tussen eetpatroon en zaadconcentratie. Mogelijk zijn eters van onbespoten groente ook in andere opzichten anders of heeft de groep mannen die weigerden zaad in te leveren de proef beinvloed, stellen de onderzoekers. Het zou kunnen dat mannen die onbespoten groente aten en twijfelden aan hun vruchtbaarheid, geen zaad inleverden omdat ze biologisch voedsel graag in een gunstig daglicht wilden zien
Om de relatie tussen voeding en vruchtbaarheid goed te kunnen onderzoeken moeten eerst de op menselijke hormonen lijkende stoffen in planten worden geidentificeerd, alsook hun lot in het maagdarmkanaal en in het lichaam, meent Van 't Veer. Voeding-hormooninteracties zijn heel ingewikkeld. Ook hier is de tijdsdimensie belangrijk. Een slechte vruchtbaarheid kan ontstaan door een lage zaadconcentratie in het sperma, maar misschien kijk je dan wel op de verkeerde tijdschaal, stelt Bonde. Het kan immers ook zijn dat het effect van voeding juist bij de ontwikkeling van de geslachtsorganen de grootste rol speelt, zoals ook rokende moeders de vruchtbaarheid van hun ongeboren dochter negatief beinvloeden

Re:ageer