Wetenschap - 24 oktober 1996

Eerst meer geld, later minder

Eerst meer geld, later minder

In 1919 voerde de toenmalige minister van Onderwijs voor het eerst een bedrag voor studiebeurzen op zijn begroting op. Het ging om honderdduizend gulden, bedoeld voor driehonderd studenten. In 1986, bij de invoering van het nieuwe stelsel, stond de studiefinanciering voor 3,3 miljard gulden op de begroting.

Het nieuwe stelsel mocht niets extra kosten. Desondanks kostte de stufi een paar jaar later al meer dan vier miljard. Dat bedrag zou overigens nog hoger zijn uitgevallen als het oude stelsel was gehandhaafd. Pas in 1997 zullen de stufi-kosten weer onder de vier miljard gulden zakken, en rond het jaar 2000 is het uitgangspunt, 3,3 miljard, weer bereikt.

Intussen is er wel iets belangrijks veranderd. In 1987 bestond 440 miljoen van de uitgaven uit leningen, in 2001 zal dat naar verwachting anderhalf miljard zijn. De werkelijke uitgaven van het ministerie zullen dalen van zo'n drie miljard in 1987 naar 1,7 miljard gulden in 2001. Die daling is deels te danken aan de verwachte afname van het aantal studenten. Ook de verlaging van de basisbeurs speelt uiteraard een rol.

Die basisbeurs bedroeg in 1987 voor uitwonenden 604 gulden, tegen 425 gulden dit jaar. Maar de grootste klap valt door de invoering van de tempo- en prestatiebeurs. Studenten die niet genoeg studiepunten halen, moeten hun basisbeurs terugbetalen. Dat levert Ritzen in 2001 bijna een miljard gulden op.

Re:ageer