Wetenschap - 6 juni 1996

Een Marshallplan voor Sierra Leone

Een Marshallplan voor Sierra Leone

Rambo in Afrika

Terwijl de gruwelijkheden in Liberia onverminderd voortgaan, lijken in buurland Sierra Leone de regeringstroepen en rebellen zowaar aan te koersen op een vredesverdrag. De Wageningse prof dr P. Richards, oorlogsonderzoeker tegen wil en dank, was ter plekke en adviseerde over de opvang van dertigduizend jonge Rambo's. Een relaas over een nieuw soort conflict in Afrika.


Een van de best bekeken speelfilms in Sierra Leone is ongetwijfeld First Blood. Deze film introduceerde op uiterst gewelddadige wijze het fenomeen Rambo. Een goed getrainde Vietnam-veteraan die, onbegrepen en miskend, de strijd aanbindt met de overheid; een bloederige treffen dat drijft op wrok en hightech wapens.

Rambo is het grote voorbeeld voor de strijders van het Republican United Front (RUF) in Sierra Leone, die eveneens hun frustraties op gewelddadige wijze afreageren. Het grote verschil is dat het merendeel van de dertigduizend Afrikaanse Rambo's jonger is dan zestien jaar. Om het opspelen van onschuldig kinderzielen te sussen, worden de kindsoldaten volgestopt met crack en cocaine, zodat ze overdag ongestoord gruweldaden kunnen plegen. En 's avonds in de bush wordt de batterij geestelijk opgeladen met bloederige video's.

Dat is de realiteit van Sierra Leone, vertelt prof. dr Paul Richards van de LUW-werkgroep Technologie en agrarische ontwikkeling. De hoogleraar is net terug van een bezoek aan het West-Afrikaanse land, waar hij voor zijn aanstelling in Wageningen lange tijd werkte. Door zijn onderzoek naar het gebruik van rijstvarieteiten raakte hij indertijd tegen wil en dank betrokken bij de gewelddadige situatie.

Inmiddels schenkt hij volgens zijn leeropdracht expliciet aandacht aan rurale ontwikkeling in oorlogsgebieden. Vanwege dit onderzoek en zijn rijke ervaring was hij gevraagd om ter plekke te adviseren over landbouwontwikkeling in post-war-scenario's. Die ontwikkeling moet volgens Richards stoelen op een goede inschatting van de oorzaken van het conflict. Gangbare verklaringen voor Afrikaanse oorlogen volstaan niet langer, meent hij. Zo is er in Sierra Leone geen sprake van een stammenoorlog of een koude oorlog uitgevochten op vreemd grondgebied. Nee, deze strijd is wars van etnische achtergronden en ideologieen. Hij komt voort uit een wijdverbreide wrok, veroorzaakt door sociale uitsluiting.

Douceurtjes

In de jaren tachtig begint volgens Richards het neo-patrimoniale systeem te haperen. Binnen dit systeem konden Afrikaanse leiders en politici grote groepen jongeren binden met beloften en gunsten. Zij teerden daarbij op omvangrijke steun uit de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie. Maar midden jaren tachtig trekken deze grootmachten zich terug uit Afrika. De internationale steun kalft verder af als het Internationale Monetaire Fonds en de Wereldbank de ontwikkelingslanden onder striktere financiele curatele stellen. In het kielzog daarvan neemt de ontwikkelingshulp af en de hulp die overblijft, wordt voorzien van strengere eisen.

Steeds meer Afrikanen blijven verstoken van douceurtjes, zoals een aanlokkelijke universitaire opleiding in het buitenland of een baantje als dank voor politieke steun. Menige gefrustreerde jonge Sierraleoner verhuist daarop naar de onherbergzame grensstreek met Liberia om diamanten te zoeken. Hier ontstaat dan ook het RUF. Aanvankelijk geinspireerd op en gesteund door Liberiaanse rebellen, maar al snel een eigen koers varend.

Elke oorlog kent zijn eigen dynamiek, vertelt Richards. Hij schetst de Sierraleoonse variant, ondersteund door drugs, wapens en video's. Als de rebellen bijvoorbeeld een schoolmeester vermoorden, dan raakt ineens een grote groep kinderen en jongeren verstoken van begeleiding. Ze worden extra vatbaar voor de notie dat je problemen met wapens kunt oplossen. Bij overvallen op dorpen worden bovendien veel kinderen gedwongen ingelijfd in het RUF.

Ook de militaire machthebbers ronselen grote groepen kindsoldaten. Om internationale protesten te ontlopen worden velen niet officieel als soldaat geregistreerd. Deze irregulars achten zich ook weer uitgesloten, koesteren vervolgens een wrok tegen de legerleiding en lopen al snel uit de pas. Gaandeweg ontstaan steeds meer zwaarbewapende jeugdige milities, soms met puur criminele motieven. De staat implodeert, resumeert Richards.

Amnestieverklaringen

Het chaotische en uitzichtloze karakter van het conflict werd vorig jaar onderstreept toen zo'n honderd vrouwen een RUF-kamp bezochten en probeerden hun kinderen te overreden tot overgave. De moeders hadden de gevolgen van de moordpartijen en het jarenlange verblijf in het oerwoud echter volledig onderschat. Hun voormalige lieve kindertjes waren extreem wild. Bovendien had de RUF-leiding gedreigd overlopers te vermoorden. De jongeren eisten schriftelijke amnestieverklaringen. Toen die uitbleven liep het volledig uit de hand: tien vrouwen werden vermoord.

Toch vervulden de vrouwen en andere civiele groepen volgens Richards een sleutelrol in het langzaam op gang komende vredesproces. De militaire machthebbers hadden baat bij de oorlog, waarmee ze de noodzaak van algemene verkiezingen en een gedwongen terugtocht naar de kazernes konden afwimpelen. Door toenemende civiele en internationale druk en personele wisselingen in de militaire leiding zijn de kansen voor een vredesregeling echter aanzienlijk gestegen. Inmiddels onderhandelen het RUF en het leger over amnestie en opname van jonge strijders in kampen.

Richards is gevraagd daarbij te adviseren. Directe opname van strijders in dorpen acht hij niet reeel, want het geweld heeft de jonge moordenaars weinig geliefd gemaakt. Kampen zijn een logisch alternatief, maar de aanpak luistert nauw. Aangezien de oorlog veroorzaakt is door wraakgevoelens over sociale uitsluiting, is het zaak dat alle dertigduizend strijders een plekje krijgen. Een lastig karwei, gegeven de talloze ongeregistreerde irregulars en de versplintering in milities. Verder moet de opeenhoping van frustraties en tomeloze energie op enkele vierkante meters een positieve draai krijgen. Anders kunnen de kampen zich ontpoppen als broedplaatsen voor een volgende rebellie.

Bush-universities

Richards ziet niettemin mogelijkheden. Hij verhaalt over een rijsthandelaar die korte tijd gegijzeld was in een RUF-kamp midden in het oerwoud. Het kamp was opvallend netjes, iedereen had een eigen huisje. Uit gesprekken met de jongeren bleek dat het door hen geproclameerde gelijkheidsideaal in wezen niets meer behelsde dan een goed wegennet en goede medische begeleiding voor zwangere vrouwen. De handelaar werd uiteindelijk vrijgelaten op voorwaarde dat de lokale discjockey de laatste Zuid-Afrikaanse hit zou draaien op de radio.

De rebellen stellen dus zeer bescheiden eisen en zijn gesteld op een goed onderkomen, concludeert Richards. Laat de strijders daarom hun eigen kamp inrichten en maak er vervolgens bush-universities van. Leer de ongeschoolde jongeren hoe ze bijvoorbeeld van schroot en puin - materiaal waar elke oorlog in grossiert - simpele waterpompen kunnen maken. Formeer hulpbrigades die dorpen bezoeken en technische assistentie verlenen. Zo ondersteun je de wederopbouw van het land en creeer je kansen voor de herintegratie van de jeugd in de dorpen. Ook moeten de kampbewoners hun eigen voedsel verbouwen met deskundige hulp van buiten. Dit kan eveneens met het oogmerk de jongeren te scholen, zodat ze uiteindelijk als landbouwvoorlichters kunnen uitzwermen naar omliggende dorpen. Creatief denken, luidt het devies. Richards is blij dat de Britten inmiddels zo'n 2,6 miljoen gulden willen steken in een experimentele kampopzet.

Maar dat volstaat niet, meent Richards. Voor de wederopbouw is een heus Marshallplan vereist. Bijna een derde van de bevolking is gevlucht, talloze dorpen zijn verlaten en verwoest. Pas als de vluchtelingen terugkeren kan de produktie van rijst - 's lands belangrijkste voedselgewas - worden hervat.

Dat gaat echter niet vanzelf, want in na-oorlogse situaties gelden andere regels, waarschuwt Richards. Hij refereert aan zijn onderzoek voor de oorlog. Daaruit bleek dat boeren en boerinnen zelf varieteiten selecteerden, rekening houdend met verschillen in bijvoorbeeld bodem, neerslag, opbrengst, oogstzekerheid, kooktijd en smaak. Het aantal typen per dorp kon oplopen tot veertig stuks, die onderling werden verhandeld en cadeau gegeven.

Overwoekerd

Dit systeem is grondig verstoord door de oorlog. Recent onderzoek van een Ph.D.-student leerde dat varieteiten die gevoelig zijn voor onkruid en veel verzorging vragen, voortaan uit den boze zijn. Het jonge arbeidspotentieel is immers vermoord, zit in kampen of bevolkt de bush. Ook zijn sommige percelen niet langer bewerkbaar doordat ze zijn overwoekerd. Boeren zijn vaker aangewezen op schrale gronden die andere eisen stellen aan het gewas en de benodigde werktuigen.

De benodigde nieuwe varieteiten zijn echter moeilijk te verkrijgen, want de oorlog veroorzaakte een genetische verschraling. Menige rijstschuur ging in vlammen op. Vluchtelingen waren gedwongen om hun zaaizaad op te eten. En als er na aankomst op een veilige plek toch nog zaaizaad resteerde, dan verdwenen de varieteiten vaak alsnog snel uit het produktiepakket omdat ze vanwege hun specifieke kwaliteiten niet goed aansloegen op de nieuwe percelen.

Dit alles was goeddeels onbekend bij betrokken noodhulp- en ontwikkelingsorganisaties, bleek een jaar geleden tijdens een vergadering in Wageningen, belegd door de werkgroep Technologie en agrarische ontwikkeling. De gepresenteerde bevindingen waren eye-openers voor hulpverleners die vooral druk waren geweest met zo snel mogelijk zo veel mogelijk voedselhulp verstrekken.

Richards hoopt nu dat hulpverleners voortaan informatie zullen inwinnen bij gevluchte boeren en boerinnen over beschikbare varieteiten van voedselgewassen en hun specifieke kwaliteiten. Door deze gegevens te combineren met wetenschappelijke kennis en informatie van regionale genenbanken kan vervolgens als de vluchtelingen terugkeren, worden overgaan tot gerichte opkoop en verspreiding van zaaizaad en werktuigen in de regio.

Stagiaires

Deze aanpak lijkt aantrekkelijk voor de streek rond de stad Ngala, waar Richards goede contacten heeft. In een straal van vijftig kilometer zijn alle dorpen verlaten, meldt de Brit. De universiteit van Ngala is zwaar gehavend en de decaan van de landbouwfaculteit vroeg Richards om hulp bij het herstel van bibliotheek, proefvelden en laboratoria.

Terug in Wageningen bemerkte de Brit dat binnen de LUW grote huiver bestaat om verwikkeld te raken in onstabiele situaties. De inzet van technische kennis is echter een belangrijke factor om te komen tot meer stabiliteit, betoogt Richards. Hij ijvert daarom voor de inzet van Wageningse stagiaires. Die zouden, samen met lokale studenten, in de dorpen rond Ngala kunnen helpen met het opstarten van de produktie.

Vlakbij Ngala zal een opvangkamp voor jonge strijders verrijzen. Dat biedt mogelijkheden voor de oorlogsprof om zijn theorieen over aangepaste opvang van jonge Rambo's te toetsen en verder te ontwikkelen. Hierbij acht de Brit de inzet van stagiaires zelfs noodzakelijk. Want jonge strijders zouden wetenschappelijk medewerkers te snel zien als personificaties van verfoeide corrupte regimes. Studenten zullen minder onder dit stigma gebukt gaan, meent Richards. Drie vrijwilligers hebben zich inmiddels aangemeld. Hij hoopt op het dubbele aantal.

Re:ageer