Wetenschap - 24 september 1998

Dijkhuizen vindt sanering varkenshouderij te ver gaan

Dijkhuizen vindt sanering varkenshouderij te ver gaan

Dijkhuizen vindt sanering varkenshouderij te ver gaan
Hoogleraar haalde twintig miljoen aan contractonderzoek binnen
Aalt Dijkhuizen, die onlangs de Landbouwuniversiteit verliet, sleepte jaarlijks miljoenen guldens aan onderzoeksopdrachten binnen. Hoe? Het is belangrijk niet alle geld bij een financier te halen. Hij vindt dat het ministerie de sanering van de varkenshouderij opnieuw moet beoordelen en vindt het zorgelijk dat Wageningen zich niet langer op landbouw wil onderscheiden
Prof. dr ir Aalt Dijkhuizen (45) is deze maand aan een derde leven begonnen. Eerst wist hij zeker dat hij boer zou worden, daarna meende hij als wetenschappelijk onderzoeker zijn stek gevonden te hebben. Maar hij kreeg een baan in het bedrijfsleven aangeboden die hij niet durfde te weigeren
Tot mijn zestiende was de boerderij mijn lust en mijn leven. Samen met mijn broer zou ik de melkveehouderij overnemen. Ik kon me geen ander leven dan boer voorstellen, vertelt Dijkhuizen enthousiast. Op aanraden van zijn broer besloot hij eerst de hogere landbouwschool te doorlopen. Toen ontdekte ik dat buiten de boerderij nog een ander leven bestond. Prachtig vond ik het, alles wilde ik meemaken. De eerste maanden kwam ik gewoon het bed niet in. Ik genoot met volle teugen en begon te twijfelen of ik nog wel boer zou worden. Eerst nog maar agrarische economie in Wageningen studeren. En halverwege die studie wist ik zeker dat het boerenleven aan mij voorbij zou gaan.
Na Wageningen promoveerde hij in Utrecht bij de faculteit Diergeneeskunde, waar hij zeven jaar bleef werken. In 1984 keerde Dijkhuizen terug in Wageningen om in 1992 hoogleraar te worden, op een door het ministerie van LNV en de Gezondheidsdienst ingestelde leerstoel. Vanaf toen ging hij zich bezig houden met de economische aspecten van de bestrijding van besmettelijke dierziekten
Aalt Dijkhuizen is enthousiast, gedreven en vlot van tong. Wellicht maakte die gave het hem mogelijk om jaarlijks veel geld voor onderzoek binnen te slepen. Tijdens een studieverlof in Amerika in 1985 had ik gezien dat externe financiering een mooi speelveld was om onderzoeksopdrachten te verwerven. Na mijn eerste eigen onderzoek haalde ik in 1988 het eerste promotieonderzoek binnen van een half miljoen gulden. Die externe financiering nam elk jaar toe. Tien jaar lang, met topjaren van 3,5 tot 4 miljoen. Dijkhuizen maakt een conservatieve schatting: twintig miljoen gulden omzet
Meteen licht hij toe dat hij momenteel nog zeventien promovendi begeleidt en dat al tien promoties zijn afgerond. Bovendien lopen er drie extern gefinancierde postdocs bij de leerstoelgroep
Bedrijfsleven
De oud-hoogleraar maakt er geen geheim van hoe hij de afgelopen jaren die miljoenen bij elkaar heeft gesprokkeld. Het is belangrijk dat je dicht bij de sector zit met je onderzoek. Je moet weten wat voor problemen er in de praktijk spelen en naar welke oplossing het bedrijfsleven zoekt. Met die kennis maak je een goed project en vervolgens ga je de boer op. Belangrijk is om niet al het geld bij een financier te halen. Vier jaar onderzoek kost veel geld, daar hebben bedrijven geen zin in.
Dijkhuizen interesseerde vaak eerst het bedrijfsleven en voegde toe dat het ministerie van Landbouw er wellicht ook wel voor zou voelen. Daarnaast noemde hij fondsen die wellicht ook zouden bijdragen. In bijna alle gevallen wil een bedrijf dan wel participeren. Als een bedrijf eenmaal had toegezegd, stapte ik naar het ministerie. Uiteindelijk heb ik zo veel onderzoeken gefinancierd gekregen. Als verschillende partijen allemaal een duit in het zakje doen, gaat het om bedragen waar over te praten valt.
Ook uit de zogenaamde tweede geldstroom voor fundamenteel onderzoek is het gelukt om financiering te krijgen, zoals een fors project met drie onderzoekers in opleiding, een wetenschappelijk programma van STW en een academie-onderzoeker van de KNAW. En bij de Europese Unie doen we inmiddels mee aan het zesde project.
In alle gevallen is het ontzettend belangrijk een project goed uit te voeren. De selectie van mensen is heel belangrijk. Bij ons is dat altijd goed gelukt, er is nooit een project niet afgemaakt. Bovendien is een goede planning van belang. Financiers hebben nergens zo'n hekel aan dan dat je halverwege opnieuw om geld komt zeuren, omdat het allemaal uitloopt. Tussendoor dragen we de voorlopige resultaten en de gekozen werkwijze uit. Je moet dat eenvoudig uitleggen, zodat de opdrachtgever het begrijpt en het gevoel heeft dat zijn geld goed besteed is. Bovendien willen de financiers dat de gekozen aanpak ook wetenschappelijk gedragen wordt. Dus moet je je werkwijze toetsen op congressen en veel publiceren.
En dat heeft Aalt Dijkhuizen gedaan; volgens de registratie van de LUW heeft hij pakweg 350 publicaties op zijn naam staan van 1986 tot 1996. Waar een gemiddeld onderzoeker vijf keer per jaar publiceert, doet Dijkhuizen dat ruim dertig keer. Dat is minder bijzonder dan het lijkt. Je moet er gewoon voor zorgen dat je veel op bijeenkomsten, studiedagen en congressen bent. Ik stimuleer mijn aio's altijd om naar congressen te gaan. Een keer mogen ze sfeer proeven, daarna krijgen ze alleen toestemming en financiering als ze een paper geaccepteerd krijgen.
We hebben altijd veel op congressen ingeschreven. In 1994 zijn we met veertien mensen naar Kenia geweest en hebben daar twintig papers gepresenteerd op een congres over veterinaire epidemiologie en economie. Dat was hartstikke duur, maar ook zeer leerzaam. Dat uitdragen van je werk zit bij ons in de groep, we willen dat en het moet. Om externe financiering los te krijgen, moet je eropuit. Je moet signaleren welke problemen er spelen, en daarnaast je eigen werk uitdragen zodat mensen geinteresseerd zijn in wat je doet.
Het resultaat van het werk van de groep van Dijkhuizen is dat we nu objectiever beslissen welke ziekte je op welke manier het beste kunt aanpakken. Zo concludeert Dijkhuizen over de varkenspestepidemie dat het financieel het beste is om direct preventief te ruimen, als het virus opduikt in een dichtbevolkt varkensgebied. De volgende keer zal dat ook het beleid zijn. Waarbij we bezig zijn verfijningen aan te brengen voor het geval de eerste besmette bedrijven in een dunner bevolkt gebied liggen.
Crisis
De varkenspest heeft de varkenshouderij vorig jaar een zware klap toegebracht, vervolgt Dijkhuizen. Maar de naweeen van nu zijn nog veel zwaarder. Normaal is de biggenprijs tachtig tot honderd gulden. Nu krijgt een boer nauwelijks meer dan dertig gulden. Zo'n lage prijs is nog nooit betaald. De markt is uit balans. Tijdens de varkenspest hebben landen om ons heen de productie opgevoerd. Nu in Nederland de stallen weer gevuld zijn, krimpen die landen niet weer in. De overproductie leidt tot een enorme daling van de prijs. Het kan nog lang duren voordat die is uitgevlakt.
Veel jonge boeren die pest hebben gehad, staan er nu zeer slecht voor. Die hangen, als het sombere beleid van Van Aartsen wordt doorgezet. Twee keer tien procent van de productie inleveren is voor hen te veel. Normaal springen de banken wel bij. Maar het sombere toekomstbeeld maakt het voor de banken moeilijk om de boeren over deze crisis heen te tillen. De crisis in de varkenshouderij is nu zo ernstig dat er alle reden is om het beleid opnieuw te bediscussieren. Ik pleit ervoor om nogmaals te bezien of de tweede tien procent korting op de varkensrechten wel moet worden doorgevoerd. Vorig jaar kon niemand weten dat het nu zo slecht zou zijn, waardoor er sowieso al veel boeren uit productie gaan.
De vraag of Dijkhuizen als kersvers Nutreco-medewerker niet te veel praat vanuit de belangen van de Nederlandse agro-industrie, werpt hij verre van zich. Nutreco houdt zich in hoofdzaak bezig met de productie van veevoer voor vis, varkens en kippen, en is zich de afgelopen jaren steeds meer op de gehele productiekolom gaan richten. De varkenshouderij in Nederland is niet als enige belangrijk voor Nutreco. Het bedrijf zit in meer dan vijftien landen wereldwijd. Als de varkenshouderij zich verplaatst, maakt dat voor het bedrijf als geheel niet uit, hooguit voor de vestiging in Nederland.
Overlevingskansen
Toch maakt Dijkhuizen zich zorgen over het voortbestaan van de Nederlandse landbouw. Door initiatieven op het gebied van diversificatie te ondersteunen, heeft Van Aartsen de landbouw in verbinding gebracht met de samenleving. Dat is een belangrijke bijdrage. De vraag is echter of dat beleid niet te ver is doorgeschoten. Ik geloof op lange termijn niet in een gediversificeerde landbouw. Een camping of wat natuur erbij kan op korte termijn oplossingen bieden, maar uiteindelijk verlies je die bedrijven uit de landbouw.
Ik vind dat er weer meer aandacht moet komen voor de professionele landbouw en hoop dat de boer als hoofdberoep weer meer aandacht krijgt. Dat het dan om grote efficiente bedrijven gaat, is niet erg. Een camping of wat natuur erbij is niet de oplossing. Als je dat grootschalig doorvoert, ga je de kant op van de Duitse landbouw. En Duitsland is geen landbouwland, en heeft ook geen wereldwijd aansprekende landbouwuniversiteit. Ik zie het als de tand des tijds dat de LUW het woord landbouw uit de naam heeft geschrapt. En vind het heel erg dat het zelfs in Wageningen moeilijk is om waardering te krijgen voor onderzoek dat zich richt op efficientieverhoging. Het is van belang voor je eigen overlevingskansen om de landbouw weer serieus op te pakken. Waarbij er minder aandacht komt voor diversificatie en meer voor realiteit.

Re:ageer