Wetenschap - 10 augustus 1995

Deeltijdboer raakt

Deeltijdboer raakt

Aantal boerderijen met neveninkomsten neemt toe

In het Land van Maas en Waal leeft slechts 36 procent van de boeren volledig van de landbouw. Meer dan tien procent maakt aanspraak op sociale uitkeringen. Ongeveer de helft vult het bedrijfsinkomen aan met geld dat buiten het eigen bedrijf wordt verdiend. In regio's in Griekenland, west-Ierland, zuid-Italie, Oostenrijk en Duitsland is het aandeel bedrijven waar inkomen van buitenaf een rol speelt, nog veel hoger. LUW-onderzoeker W.M. de Vries voorziet een nieuwe ontwikkeling in de agrarische structuur.


Net na de oorlog waren de meeste boeren nog gewoon boeren. Landbouw bedrijven was iets om trots op te zijn. Op veel bedrijven werkte de boer fulltime achter, terwijl de boerin het huishouden voor deed. Als de werkzaamheden dat noodzakelijk maakten, sprong ze achter bij. Het algemene streven was: niet prutsen in de marge met tal van verschillende takken op een bedrijf, maar specialiseren en liefst het bedrijf zo groot mogelijk maken. Deze ontwikkeling werd door het beleid gepropageerd en ondersteund door het drieluik onderwijs, voorlichting en onderzoek. Boeren die niet in staat waren om een volledig inkomen uit de landbouw te genereren, golden in die tijd niet als volwaardige boeren. Ze waren de buitenbeentjes van de landbouw", vertelt onderzoeker drs W.M. de Vries.

De tijden zijn veranderd; boeren die naast de landbouw iets doen om extra inkomsten te verwerven, zijn al lang geen uitzondering meer. De invoering van het melkquotum halverwege de jaren tachtig was voor veel van die boeren aanleiding om nieuwe activiteiten te ontplooien. De Vries: Veel bedrijven waren net te klein om er een inkomen uit te verwerven en boeren besloten hun quotum te verkopen en een baan buiten de landbouw te zoeken. Maar het bedrijf hielden ze aan, om toch bij de boerenwereld te blijven horen. Met schapen of jongvee zetten ze op een extensieve wijze het bedrijf voort."

De Vries deed ruim vier jaar onderzoek naar deeltijdlandbouw. Ze ontdekte dat op bijna de helft van de bedrijven yf een inkomen van buitenaf een rol speelt, yf niet-agrarische activiteiten als een winkel of camping op het bedrijf voor extra inkomsten zorgen.

Overschotten

Het onderzoek van De Vries maakte deel uit van een groots opgezet Europees onderzoek. In de periode 1987 tot 1991 zijn in 24 regio's, verdeeld over twaalf landen, gegevens verzameld over deeltijdboeren. Aanleiding voor het onderzoek was volgens De Vries de toename van de landbouwproblemen in de jaren tachtig. Het EG-landbouwbeleid bleek op termijn onbetaalbaar, terwijl inkomens in de landbouw achterbleven, overschotten bleven groeien en milieuproblemen zich steeds duidelijker aftekenden. De Vries: In de Europese Commissie is in die tijd voorzichtig geopperd dat deeltijdlandbouw wellicht een oplossing kon bieden voor die problemen en tegelijkertijd de ontvolking van grote gebieden in Europa kon tegengaan."

De vakgroep Rurale sociologie van de Landbouwuniversiteit wist het Nederlandse deel van het Europese onderzoek binnen te slepen en stelde cultureel antropoloog De Vries aan om het uit te voeren. Het Land van Maas en Waal kwam uit de bus als onderzoeksgebied omdat de landbouw daar erg gevarieerd is, met veel verschillende sectoren en een grote variteit in de bedrijfsomvang. Daarnaast kent het gebied van oudsher veel boeren met nevenactiviteiten.

De Vries toog met een vragenlijst, voor alle 24 Europese regio's dezelfde, het rivierengebied in en ondervroeg tweehonderd boeren. In 1987 bleek op 39 procent van de bedrijven sprake van pluri-activiteit: boer, boerin of opvolger draagt zorg voor een extra inkomen op het bedrijf uit werkzaamheden van niet-landbouwkundige aard. Hieronder vallen een baan buitenshuis, maar ook activiteiten als bijvoorbeeld een boerderijwinkel.

Toen De Vries in 1991 voor de tweede maal een ronde langs de bedrijven maakte, verwierf al 46 procent van de boeren inkomsten uit niet-agrarische activiteiten. Inmiddels zal het percentage wel op de helft liggen", schat de Vries. Je ziet dat het heel hard gaat, voornamelijk vanuit economische motieven. Maar er is ook een minderheid die het om sociale redenen doet: steeds vaker hoor je boeren zeggen dat landbouw bedrijven een eenzaam beroep begint te worden."

De toename van het aantal pluri-actieve bedrijven de laatste jaren is voor een groot deel te verklaren uit het feit dat de vrouw een baan buiten het huis is gaan zoeken. In 1987 werkte twaalf procent van de agrarische vrouwen buitenshuis, in 1991 was dat toegenomen tot achttien procent. Op middelgrote bedrijven zoekt vaak de opvolger een baan buiten het bedrijf. Enerzijds omdat het bedrijf onvoldoende arbeid biedt voor twee personen, anderzijds om de opvolging, tegenwoordig een kostbare zaak, te bekostigen.

De Vries hanteerde als norm voor pluri-activiteit gemiddeld een dag per week betaalde arbeid. Veel pluri-actieve boeren werken in loondienst of hebben zelf een tweede bedrijfje als veehandelaar, loonwerker, campinghouder of winkelier. De boeren met grotere bedrijven hebben vaker een bijbaan in de vorm van professioneel bestuurder, bijvoorbeeld als wethouder of bij een landbouworganisatie.

Hobby-boeren

Binnen de sector bestond ten tijde van het onderzoek een zeer negatief beeld over deeltijdboeren, merkte De Vries. Veel ondernemers noemden tijdens de interviews de landbouwbeoefening van deeltijd- en hobby-boeren inefficient. Sommigen bestempelden hen zelfs als prutsers die bedrijven en grond vasthouden en schaalvergroting tegengaan. Ook deeltijdboeren hadden geen positief beeld van zichzelf als boer. Vaak waren zij verbaasd dat zij gevraagd werden voor een interview in het kader van dit onderzoek naar ontwikkelingen in de landbouw. Zij zeiden geen echte boer te zijn."

De Vries denkt echter dat de technische gegevens van de pluri-actieve bedrijven niet onderdoen voor de mono-actieve. Ik heb geen technische gegevens verzameld want dat is mijn vak niet. Maar ik heb de indruk dat pluri-actieve bedrijven de agrarische tak niet verwaarlozen. De boer heeft genoeg tijd voor nevenactiviteiten of een van de medebewoners werkt buiten. De arbeid op de grote en middelgrote bedrijven wordt volledig uitgevoerd. Voor kleinere bedrijven geldt de landbouwtak vaak als hobby; zolang die geen geld kost is het al lang best. Het extern verworven inkomen speelt daar de beslissende rol."

Inmiddels zijn de deeltijdboeren goeddeels verlost van hun negatieve imago, vertelt De Vries. In de jaren negentig heeft een omslag in het denken plaatsgevonden, weet ik uit ander onderzoek. De zorg om het milieu is een belangrijk vraagstuk geworden in de landbouwpolitiek. Schaalvergroting en intensivering staan niet langer centraal in de discussie; duurzaamheid is de nieuwe ontwikkelingsrichting." Pluri-actieve boeren werken extensiever, met minder grootvee-eenheden per hectare en een lagere stikstofbemesting van de percelen. Ook is het voor boeren met een inkomen van buitenaf iets eenvoudiger om milieudoelstellingen te realiseren, denkt de antropoloog. Hun totale inkomen is hoger dan op mono-actieve bedrijven. Het extra inkomen kan een bijdrage leveren aan investeringen in zaken als mestopslag en reductie van ammoniak-emissie.

Pluri-activiteit levert volgens de antropoloog ook voordelen voor het leefklimaat op het platteland. Bedrijven die anders verloren zouden gaan voor de streek, worden nu in deeltijd voortgezet. De boerderijen blijven onderhouden en vervallen niet. Het inwonertal op het platteland blijft op peil. Dat kan belangrijk zijn voor kleine kernen waar veel voorzieningen zoals scholen en winkels dreigen te verdwijnen. Daarnaast groeien boeren en burgers naar elkaar toe, dankzij recreatiemogelijkheden op de boerderij en boerderijwinkeltjes enerzijds en een baan in loondienst voor de boer anderzijds." En dat is belangrijk, vindt De Vries. Want boeren dreigen steeds meer van gevestigden in de samenleving te veranderen in buitenstaanders.

Re:ageer