Wetenschap - 28 september 1995

De weg van de wetenschapper

De weg van de wetenschapper

Slechts een kwart van alle afgestudeerden van de Landbouwuniversiteit komt in het onderzoek terecht. Dat is niet veel voor een wetenschappelijke opleiding, zou je zeggen. In dit nummer volgt het universiteitsblad de onderzoekers op de voet, om erachter te komen waar ze werken, wat ze precies doen, waarom ze wetenschapper willen zijn en hoe ze dat worden.


Een paar weken geleden zijn weer enige honderden eerstejaars begonnen met een studie aan de Landbouwuniversiteit. De motivatie is voor iedereen anders. De een kan nu eenmaal goed leren en wil de hoogste opleiding, de ander heeft een oom die ook in Wageningen heeft gestudeerd, de derde wil zich voorbereiden op ontwikkelingswerk.

Wat studenten verwachten van hun studie zal dus ook verschillen. Maar voor iedereen komt eens de vraag of het eigenlijk wel zin heeft om ruim vier jaar bezig te zijn met een wetenschappelijke opleiding. Leidt het ergens toe; word ik er beter van? Het is de traditionele studiecrisis die elke student ooit doormaakt.

Wie hoopt dat de LUW een garantie biedt voor een wetenschappelijke carriere kan bedrogen uitkomen. Het mag dan een wetenschappelijk opleiding heten, maar zo'n driekwart van de afgestudeerden komt helemaal niet de wetenschap terecht. Ze gaan wat anders doen: worden beleidsmedewerker, gaan het onderwijs, de politiek of het bedrijfsleven in, beginnen een handeltje of vertrekken naar het buitenland.

De meeste studies sluiten ook prima aan op functies buiten de wetenschap. Als je de LUW-onderwijsgids erop naslaat, lijkt het er zelfs op dat wetenschap niet het eerste doel is van de studies. In de gids staat dat de opleiding afgestudeerden een volwaardige startpositie in de maatschappij wil geven. Daarnaast moet een student de resultaten van onderzoek kritisch kunnen beoordelen. Afgestudeerden moeten in staat zijn informatiesystemen goed te gebruiken en iets weten van bedrijfskunde, economie en sociologie. Een afgestudeerde hoeft dus niet per se onderzoek te kunnen uitvoeren. Dat laat onverlet dat elke student tijdens de studie ten minste twee keer een eigen onderzoek moet uitvoeren, bij wat voor orientatie of beroepsperspectief dan ook.

Speurinstellingen

De echte wetenschapper wordt vooral geboren na de studie, tijdens de promotie. Bijna twintig procent van alle LUW-afgestudeerden is bezig met een promotie of is al gepromoveerd. Er zijn niet zo veel onderzoekers die niet gepromoveerd zijn.

Omgekeerd geldt dat gepromoveerden meestal wel in het onderzoek blijven. Tenminste als ze daar werk in kunnen vinden. Aan universiteiten is die kans de afgelopen jaren flink kleiner geworden omdat het vaste personeel is ingewisseld voor aio's.

Ben je eenmaal gepromoveerd, dan is er meestal geen plaats meer. Tenminste niet meer in wat de eerste geldstroom heet, de financiering door de overheid. Wel is er altijd nog de tweede geldstroom uit de organisatie voor wetenschappelijk onderzoek NWO. En tenslotte zet het bedrijfsleven een flinke som geld uit bij universiteiten voor contractonderzoek, de derde geldstroom. In het landbouwonderzoek is de derde geldstroom bijna even groot als de eerste.

Andere mogelijke werkplekken voor de wetenschapper zijn te vinden bij speurinstellingen als TNO, RIVM, KNMI, en de landbouwkundige instituten in Wageningen. Daar gaat zelfs meer geld om dan bij de universiteiten. Maar voor de wetenschapper zijn de kansen in het bedrijfsleven verreweg het grootst. De bedrijven geven samen meer dan de helft van het totale onderzoeksgeld uit.

Als er in Nederland geen plaats is, dan is er nog altijd het buitenland. Nederland neemt geen slechte plaats door bijna twee procent van het Bruto binnenlands produkt aan onderzoek uit te geven. Maar Japan met 3,06 procent, de Verenigde Staten met 2,78 procent, Frankrijk, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk geven nog meer uit. De kansen zijn daar dus navenant.

Als al die wetenschappers, onderzoekers en feitenbouwers uiteindelijk een plek hebben gevonden om hun wetenschap te bedrijven, rest de vraag of wetenschap eigenlijk wel leuk is. Is het de moeite waard daar een aantal jaren voor in de collegebanken te zitten?

  • = onderzoeker 25 24 28 26 21
  • = docent 7 7 7 7 5
  • = voorlichter/adviseur 6 5 9 6 4
  • = Ontwikkelingsamenwerking 6 6 6 2 28
  • = vaktechnisch ingenieur 8 8 9 9 3
  • = beleidsmedewerker 12 10 18 13 11
  • = commercieel medewerker 5 6 4 6 4
  • = Hoofd afdeling/directeur 14 18 6 15 10
  • = politiek 1 1 0 1 1
  • = Projectleider/hoofdingenieur 4 4 2 4 2
  • = informatica/journalist 5 5 5 5 4
  • = ontwerper/zelfstandige 7 7 7 7 6

  • = absoluut aantal 6891 4998 1886 5626 1225

    Bron Nili loopbaanonderzoek 1992

  • Re:ageer