Wetenschap - 9 november 1995

De vreemde stoelendans bij Landgebruiksplanning

De vreemde stoelendans bij Landgebruiksplanning

Gepromoveerde planologen haken af

Voor de vakgroep Ruimtelijke planvorming komt alles tegelijk: reorganisatie, fusie, onderwijsvernieuwing en hoogleraarsopvolging. Vooral dat laatste leidt tot veelal discussie in de wandelgangen. De planologen willen een open procedure en geen interne stoelendans. Dat is pijnlijk, omdat de zittende hoogleraar cultuurtechniek net zijn leerstoel is kwijtgeraakt. Sector, cluster en vakgroep draaien om de hete brij, maar het college van bestuur wacht nog even af.


Op 9 oktober schreef dr ir M.C. Hidding namens de sectie Planologie van de vakgroep Ruimtelijke planvorming een noodbriefje aan het college van bestuur. De sectie maakt zich ongerust over de procedure rondom de opvolging van haar hoogleraar dr ir F. Kleefmann. Daar zou grote onduidelijk over bestaan. Dat heeft zijn weerslag, schrijft Hidding, op het proces van de voorgenomen vakgroepsreorganisatie en de onderwijsvernieuwing. Er moet daarom een open procedure komen voor de vervulling van de vacature. De sectie vreest dat het college van bestuur de budgettaire situatie aangrijpt om de vacature intern te vervullen, om daarmee geld uit te sparen.

De brief van de sectie is een van de vele brieven die de afgelopen jaren vanuit de Hucht naar het bestuurscentrum gingen. Bijvoorbeeld over de fusie tussen de drie voormalige vakgroepen Planologie, Cultuurtechniek en Landschapsarchitectuur die nooit het gewenste resultaat heeft gehad. Echt een vakgroep is het nooit geworden; het bleven drie secties.

Op die ene, formele, vakgroep werden vervolgens meerdere pogingen tot reorganisatie gedaan die onrust en weer brieven met zich meebrachten. De laatste poging stamt van twee jaar toen Staringcentrum-medewerker drs A.F. van de Klundert, na vele gesprekken met medewerkers, voorstelde om de oude scheiding tussen de secties op te heffen en een planningssectie en een inrichtingssectie in te stellen. Het plan verdween vrijwel onmiddellijk in een van de vele universitaire bureauladen.

Toen dat achter de rug was lag daar ineens het leerstoelenplan op tafel: de universiteitsraad besloot dat van de drie leerstoelen in de cultuurtechniek (bemensd door de op de tropen georienteerde dr ir L. Stroosnijder en dr L. Vincent en de Westerse dr ir H.N. Van Lier) er een moest verdwijnen. Ondertussen besloot planologiehoogleraar dr ir F. Kleefmann met emeritaat te gaan.

Sectordirecteur ir A.G. Olde Daalhuis heeft nu de vakgroep een deadline opgelegd: voor 1 januari moet er een volledig reorganisatieplan liggen, compleet met formatieplaatsen en personele invulling. Dat houdt een bezuiniging in van ongeveer zeven formatieplaatsen wetenschappelijk personeel. Diezelfde datum moet ook het nieuwe onderwijsprogramma in grote lijnen klaar zijn.

Bovendien is iedereen het er over eens dat de vakgroep snel aan haar uitstraling en positie in het maatschappelijke debat moet gaan werken. De planologen kozen in 1986 voor het ontwikkelen van een sterk theoretisch planningskader. Nu moet de stap worden gezet richting praktijk, vinden ze.

Ook de landschapsarchitecten liggen onder vuur. In het tijdschrift Blauwe Kamer bekritiseerden landschapsarchitecten vorig jaar de opleiding: Wageningen mist de aansluiting bij het architectuurdebat doordat de meeste docenten in een ivoren toren blijven zitten.

En ook de praktijk van de cultuurtechniek is momenteel dusdanig aan het veranderen dat de vakgroep haar koers moet verleggen, wil ze aansluiting houden met de praktijk. De technische kant van de cultuurtechniek kan volgens dr ir A. van den Brink, bijzonder hoogleraar bestuurlijke en beleidsmatige aspecten van de landinrichting, meer en meer op hbo-niveau worden bestudeerd. De cultuurtechiek kan zich dan meer richten op onder andere het procesmanagement en het uitvoeren van ruimtelijke analyses.

Boekhouden

Rest nog de belangrijkste verandering voor de cultuurtechnici. De leerstoel cultuurtechniek van Van Lier is in mei door de universiteitsraad uit het leerstoelenplan geschrapt. Onderdeel van de reorganisatie zal dan ook zijn dat de secties Cultuurtechniek en Planologie voor een groot deel in elkaar op moeten gaan met een nieuwe hoogleraar aan het roer.

Volgens dr ir C.R. Jurgens van de sectie Cultuurtechniek is het zondermeer een maatschappelijke tendens dat planologie en cultuurtechniek met elkaar integreren. De planologie behandelt, zo meent hij, vragen als wat willen we met de ruimte, wat zijn de wensen en hoe organiseren we dat? Cultuurtechnici redeneren vanuit de fysieke omgeving en vragen zich af wat kan op een gegeven plaats, gegeven de biotische en abiotische omstandigheden. Die vragen combineren zou het nieuwe vakgebied Landgebruiksplanning moeten worden. Dat is dus een hele grote opgave en ik vraag mij zelfs heel sterk af of de opgave niet te groot is. Zeker als die hoogleraar de landgebruiksplanning ook op internationaal niveau moet bekijken."

Maar voor de nieuwe hoogleraar er is zal nog heel wat water door de Rijn stromen. Op papier lijken alle betrokkenen het grotendeels met elkaar eens. En ook de omschrijving van de leerstoel landgebruiksplanning leidt uiteindelijk niet meer tot discussie. Het gaat er vooral om welk accent de leerstoel krijgt: wordt het een cultuurtechneut of een planoloog?

In feite gaat daar de brief van Hidding over. Want de brief van de sectie komt op de objectieve buitenstaander een beetje vreemd over. Formeel is er geen reden aan te nemen dat het college van bestuur niet, net als altijd bij dergelijke vacatures, een benoemingsadviescommissie instelt die de nieuwe hoogleraar moet zoeken.

Tal van betrokkenen bevestigen off the record dat de sectie Planologie vreest dat cultuurtechnicus Van Lier de vrijgekomen leerstoel gaat bezetten. Hij heeft geen leerstoel meer en bovendien zijn in de planologie nu ook de planningsaspecten van de cultuurtechniek opgenomen.

Dit scenario kan voor het college van bestuur een aantrekkelijke optie zijn, omdat Van Lier dan niet ontslagen hoeft te worden met alle wachtgeldverplichtingen van dien. Bovendien is dit een korte procedure waardoor ook de reorganisatie en de onderwijsvernieuwing geen vertraging meer oplopen. Boekhoudkundig gezien een aardige oplossing.

Maar inhoudelijk gezien is de optie voor de meeste planologen onaanvaardbaar. In de omschrijving die het clusterbestuur momenteel gebruikt staat het doel van de landgebruiksplanning omschreven als het ontwikkelen van op omgevingsvraagstukken toegesneden ruimtelijke planningstheorieen en planningsmethoden. Verder moet het vakgebied zich bezig houden met analyse en reflectie op het omgevingsbeleid en de daarbij behorende planfiguren met bijzonder aandacht voor de handelings- en sturingscontext van de landgebruiksplanning. Tenslotte moet de nieuwe hoogleraar zich bezighouden met het interpreteren van analyses van ruimtelijke veranderingen in landgebruik en het ontwikkelen van ruimtelijke denkbeelden.

Intermediar

Voor de planologen betekent dit dat zij in de landgebruiksplanning min of meer de lijn Kleefmann kunnen voortzetten, maar dan wat meer op de praktijk gericht. Kleefmann heeft de afgelopen jaren een theoretisch kader ontwikkeld over planologie. Dat concept is en wordt uitgewerkt in recente proefschriften van onder andere Hidding, Hetsen, Eweg, Jongman en Van der Vlist. Landgebruiksplanning zou binnen de LUW de functie moeten vervullen van intermediair tussen de onderzoekscholen Produktie-ecologie en het sociaal-economische Mansholtinstituut. De reacties op de leerstoelomschrijving van hoogleraren uit beide instituten zijn dan ook overwegend positief.

Het pleidooi van de planologen is in een eerder stadium al eens ondersteund door een aantal medewerkers van Cultuurtechniek. Deze jonge honden, zoals ze worden genoemd denken dat de technische, hydrologische kant van de cultuurtechniek niet meer thuis hoort in de landgebruiksplanning. Cultuurtechnici aan de andere kant van het spectrum willen juist de hele huidige cultuurtechniek overhevelen naar landgebruiksplanning.

Van Lier zelf wil geen commentaar geven op de gevoelens die er leven bij de sectie Planologie over de mogelijke opvolging door hem. Ook vakgroepsvoorzitter prof. ir K. Kerkstra vindt niet dat hij in dit stadium op het pleidooi van de planologen voor een open procedure kan reageren.

Reorganisator Van de Klundert wil als buitenstaander niet veel kwijt over de vraag wat er nu moet gebeuren met de vakgroep, omdat hij indertijd als vertrouwenspersoon is gevraagd een advies uit te brengen en hij dat vertrouwen niet wil beschamen. Wat hem achteraf het meest is opgevallen, is de dramatisch verlammende bestuursstructuur aan de universiteit. Niemand heeft of neemt de bevoegdheid om knopen door te hakken.

Wachten

Iedereen wacht op iedereen. De vakgroep wacht op een definitief akkoord van het college van bestuur voor de reorganisatie. Pas dan krijgen personeelsleden zekerheid over blijven of wijken en kan worden vastgesteld welk onderwijs gegeven kan worden. En eigenlijk vindt iedereen het beter als een nieuwe hoogleraar landgebruiksplanning die reorganisatie zou leiden.

Het reorganisatieproces gaat via een andere bestuurlijke lijn - namelijk vakgroep en cluster - dan de opvolgingsproblematiek die door college en raad wordt vastgesteld.

Ondertussen verliest de sectie Planologie langzaam maar zeker haar verse promovendi: Eweg vertrok naar Bodemkunde en geologie, Jongman naar het Europees centrum voor Natuurbescherming, Hetsen naar de NRLO, Van Lammeren naar Landmeetkunde en Van der Aarsen naar het Staringcentrum.

Mensen in de vakgroep en het cluster mogen in dit verband weliswaar graag met het beschuldigende vingertje richting college wijzen, het cluster houdt er zelf ook vreemde procedures op na.

Na de fusie van de drie vakgroepen tot een met drie secties is nauwelijks sprake geweest van samenwerking. Een wetenschappelijk debat tussen de drie secties is niet of nauwelijks op gang gekomen. Volgens sommigen is dat in het prille begin door verschillende medewerkers, al dan niet georganiseerd, nog wel geprobeerd maar telkens uitgedoofd.

Het clusterbestuur lijkt ook niet altijd even daadkrachtig op te treden. Zo stelde het een commissie samen die overeenstemming moest krijgen over de inhoud en omvang van de leerstoelen landschapsarchitectuur, landgebruiksplanning, recreatie en de twee leerstoelen bij tropische cultuurtechniek. Na een paar maanden bleek de commissie geen eensluidend advies te kunnen uitbrengen.

Maar dat is misschien ook niet zo vreemd, want wie zaten er in de commissie: alleen de hoogleraren van de betrokken leerstoelen, inclusief Van Lier, wiens leerstoel inmiddels was opgeheven. Kritiek van een aantal vakgroepsmedewerkers op het feit dat Van Lier in deze commissie zat, wuift clustervoorzitter prof. dr ir Van Breemen weg. Iedereen heeft geweten dat deze commissie is ingesteld. Toen hebben we geen kritiek gehoord en nu is het daar te laat voor", reageert Van Breemen. Wat een onzin: ze hebben ons nooit wat gevraagd", briest een vakgroepsmedewerker.

Rest de vraag wat het college van bestuur nu gaat doen. Stelt het een benoemingsadviescommissie in die naar een hoogleraar gaat zoeken, of wordt het een commissie die gaat kijken of een kandidaat geschikt is? Of kiest het voor de kortste en goedkoopste weg door Van Lier op de plek te benoemen?

Rector prof. dr C.M. Karssen over het gevraagde Salomonsoordeel: We zullen moeten zoeken naar een wijze oplossing die zo netjes mogelijk is voor iedereen. We zullen de omschrijvingen van de leerstoelen bekijken en vervolgens gaan we kijken wie daar gaat zitten."

Re:ageer