Wetenschap - 21 november 1996

De voortdurende vlucht vooruit van Afghanistan

De voortdurende vlucht vooruit van Afghanistan

Noodhulp moet mikken op verzelfstandiging

Door alle rampspoed in Zaire staan vluchtelingen volop in de belangstelling. Voor acute nood is veel geld en materiaal beschikbaar. Bij slepende conflicten neemt de animo echter af. Zo moet het International Rescue Committee snijden in de medische hulp aan Afghaanse vluchtelingen in Pakistan. Rien van der Toorn, student Rurale ontwikkelingssociologie, onderzocht de gevolgen en bespeurde een opmerkelijke veerkracht bij de ontheemden.


Sinds de Sovjet-inval in 1979 verkeert Afghanistan in een voortdurende staat van oorlog. Zeven verschillende Mujahedeen-facties bestreden eerst de Russen en brachten daarna de door Moskou geinstalleerde communistische regering ten val. Vervolgens raakten ze onderling slaags. Toen die strijd beslecht leek, had zich alweer een nieuwe groepering aangemeld: de Taliban. Dit uit koranstudenten en guerrillastrijders bestaande legertje opereerde in het zuidoosten van Afghanistan. Daar ontwapende de Taliban eigenmachtig operende commandanten, verbood drugs en herstelde de rust. De strenge islamieten verwierven zo de steun van de bevolking. Ze controleerden gaandeweg steeds grotere delen van het land.

Maar toen ze bij de verovering van Kabul de stad onverbiddelijk met raketten bestookten, bleken de nieuwkomers geen haar beter dan hun voorgangers. Het enthousiasme onder de burgers bekoelde. Ondertussen hebben de door de Taliban verdreven machthebbers een succesvol tegenoffensief ingezet en lijkt de volgende slag om de reeds finaal kapotgeschoten hoofdstad in de maak.

Een tussenbalans: Afghanistan is nu bijna het armste land van de wereld. Vlak over de grens, in Pakistan, wachten nog zo'n 1,2 miljoen Afghaanse vluchtelingen al zo'n vijftien jaar op betere tijden. Dat waren er drie a vier miljoen.

Rien van der Toorn, doctoraal student Rurale ontwikkelingssociologie, deed begin dit jaar in Pakistan drie maanden onderzoek in enkele vluchtelingendorpen en proefde de sfeer bij de Pathanen. Deze etnische groep bevolkt niet alleen een groot deel van Afghanistan, maar ook het grondgebied van Pakistan. Dat vergemakkelijkte begin jaren tachtig de opvang van de Afghaanse Pathanen, want hun achtergrond sloot redelijk aan op de lokale omstandigheden. Mede daardoor verliep de massale opvang relatief gladjes.

Toch krijgen de donoren en de Pakistaanse autoriteiten langzamerhand genoeg van de kampen. Acute rampen elders in de wereld dringen zich voortdurend op en brengen de donoren in een lastig parket. De hulp kost handenvol geld en weerhoudt vluchtelingen er juist van de terugtocht te aanvaarden", grommen ze nu, terwijl ze de geldkraan geleidelijk dichtdraaien. Van der Toorn onderzocht voor het Amerikaanse International Rescue Committee (IRC) de effecten.

Pillenslikkers

Het IRC werkt in twaalf kampen in het Kohat-district en verstrekt daar medische hulp aan de 167 duizend bewoners. Elk kamp beschikte aanvankelijk over een klein kliniekje. Naast de professionals vervullen zo'n 3.800 vrijwilligers een belangrijke rol, onder wie de community health workers, die door de bewoners zelf zijn uitgekozen. Deze vrijwilligers hebben elk dertig families onder hun hoede en geven bijvoorbeeld voorlichting over hygiene. Voor de vrouwen zijn speciaal vrouwelijke voorlichters opgeleid, daar de Pathaanse cultuur een strikte scheiding van mannen- en vrouwenzaken gebiedt. Ook stelde het IRC een overkoepelend gezondheidscomite in met maleks - oudere, gerespecteerde Pathaanse mannen, woordvoerders van een groep families, die normaliter in dorpsverband de belangrijkste besluiten nemen.

Het IRC trachtte de organisatie af te stemmen op de Pathaanse cultuur, maar legde niettemin de nadruk op preventieve in plaats van curatieve zorg. Daar moesten de vluchtelingen aanvankelijk niets van hebben, vertelt Van der Toorn. De Pathanen zijn fervente pillenslikkers - het liefst gekleurde, want die zijn beter dan witte - en vaccinaties werden uiterst wantrouwend bekeken. Het westen wil ons uitroeien, was een veelgehoorde kreet. Mede door de inspanningen van de voorlichters onderkenden de bewoners langzamerhand het belang van preventie. Inmiddels is bijna negentig procent van de kinderen jonger een jaar ingeent, duidelijk meer dan het gemiddelde in vluchtelingenkampen.

Ondanks of wellicht dankzij de goede resultaten moest het IRC in eigen vlees snijden. De voedseldistributie was al eerder gestopt en de donoren verminderden hun steun verder. Het IRC sloot uiteindelijk drie klinieken, kromp zijn professionele staf in, privatiseerde de dienstverlening gedeeltelijk, stopte met de gratis verstrekking van medicijnen en introduceerde tarieven voor een consult.

Opvallend is dat de vluchtelingen nog steeds uitgebreid gebruik maken van de medische voorzieningen, meldt Van der Toorn. Tezamen dragen ze vijftien procent van de totale programmakosten, drie keer zo veel als bij de meest succesvolle ervaringen in Afrika. Uit zijn enquete bleek dat 77 procent van de families minstens een inkomstenbron had in de directe omgeving of in het buitenland en daarmee de eigen medische behoeften kon dekken. We moeten dan ook af van het stereotype van de zielige vluchteling, meent de Wageninger. Als ze eenmaal de eerste klap hebben overleefd, zoeken kampbewoners hun eigen weg; noodhulporganisaties zijn minder belangrijk dan ze zelf graag denken.

Cadeautjes

De organisaties moeten hun hulp daarom sneller richten op verzelfstandiging, zoals het reguliere ontwikkelingswerk doet. Zo staat de Pathaanse cultuur volgens de Wageninger getrapte verkiezingen toe. Dit maakt een meer representatieve afvaardiging van maleks mogelijk, vermindert de kans op corruptie en vergemakkelijkt het overdragen van verantwoordelijkheden naar de bewoners zelf. Cadeautjes geven moet vermeden worden, want dat werkt op de lange termijn contraproductief. Dat merkten de gezondheidsvoorlichters die door de bezuinigingen hun medicijnenkistjes moesten afstaan. Hun status daalde plotsklaps aanzienlijk, hetgeen de continuiteit van de medische hulp heeft aangetast. Tenslotte kunnen noodhulporganisaties meer kwaliteit leveren als de medewerkers langer ter plekke blijven en de taal leren.

Het IRC reageerde volgens Van der Toorn niet onwelwillend op zijn aanbevelingen, maar bleek vooral verguld met de resultaten van zijn aanvullende onderzoek. Hij had de vluchtelingen namelijk gevraagd waarom ze niet terugkeerden naar Afghanistan. Het merendeel wachtte op een stabiel bewind en het wederkeren van de rust. De vluchtelingen waren de milities en het politieke gekonkel beu. De strijdgroepen hebben lange tijd veel invloed gehad in de kampen, maar naarmate de strijd voortduurde, verminderde het vertrouwen in hun inmenging.

De Taliban geniet evenmin vertrouwen. Deze groep is weliswaar geworteld in de Pathaanse regio, maar is voor velen te orthodox islamitisch en biedt geen garantie voor vrede. Tenslotte eiste menig geinterviewde dat eerst de mijnen zouden worden opgeruimd; die maken de landbouw immers tot een levensgevaarlijke onderneming. Kortom, concludeerde het IRC, vluchtelingen blijven niet hangen omdat ze verwend worden, maar omdat terugkeer te riskant is. Dus zijn de bezuinigingen onterecht.

Goed nieuws voor hulpverleners die vechten tegen slinkende budgetten, maar de Afghanen moeten ondertussen met lede ogen toezien hoe hun land verder afglijdt. Dat zag ook Van der Toorn, die begin van de zomer een maand lang door het land trok en de opmars van de Taliban meemaakte. Hij hoorde hoe minister Pronk na een bezoek meldde dat hij geen ontwikkelingshulp wil verstrekken aan het nieuwe, instabiele bewind. Van der Toorn betreurt deze stellingname, want volgens hem bewijst bijvoorbeeld de christelijke organisatie International Assistance Mission dat er wel degelijk zinvol werk te verrichten is.

Tentenkamp

De tentakels van de Taliban zijn minder uitgestrekt dan verondersteld. Zo geeft de IAM onderwijs aan plattelandsvrouwen. Dat lukt doordat ze voorzichtig opereert en haar activiteiten niet aan de grote klok hangt. Maar doordat Pronk en andere internationale politici de deur rigoureus op slot gooien, blijft er volgens Van der Toorn alleen ruimte over voor noodhulporganisaties. Die lopen evenmin over van enthousiasme om met de Taliban samen te werken.

Niettemin is er voor hen genoeg werk aan de winkel. Sinds de gevechten opnieuw zijn opgelaaid is er een grote binnenlandse vluchtelingenstroom op gang gekomen. De Wageninger heeft tijdens zijn rondtocht een groot provisorisch tentenkamp bezocht, dat inmiddels overladen schijnt te zijn met nieuwe nooddruftigen. Zij zitten duidelijk in een rottiger situatie dan hun lotgenoten in Pakistan, die leven in kleine huizen. De tenten geven nauwelijks beschutting en de ijskoude winter is op komst.

Re:ageer