Wetenschap - 1 oktober 1998

De schooltuin als prikkelende leeromgeving

De schooltuin als prikkelende leeromgeving

De schooltuin als prikkelende leeromgeving
Mark Groeneveld, Agrarische onderwijskunde
Kinderen liepen zomaar over de net ingezaaide schooltuin heen, hoorde Mark Groeneveld een schooltuinbegeleider vertellen. Niet uit baldadigheid, maar omdat ze niet wisten dat zaadjes niet goed groeien als je er steeds overheen loopt. Ik schrok daarvan. Ik ben zelf opgegroeid op een boerderij en heb altijd een tuintje gehad. Ik stond er niet bij stil hoeveel leerervaringen ik daar al had opgedaan. Kinderen die in de Nude op een flat wonen, weten vaak niet eens hoe een boerenkoolplant eruit ziet. Hun ouders kopen de kool kant en klaar in de supermarkt
Tijdens zijn driemaands afstudeervak bij Agrarische onderwijskunde sprak Groeneveld met schooltuinbegeleiders op zes scholen en wandelde hij met kleine groepjes kinderen door hun schooltuin. Hij wilde uitzoeken of een schooltuin de natuurbeleving van kinderen stimuleert, een belangrijke doelstelling van natuur- en milieu-educatie. En hij vroeg zich af of een schooltuin een goede leeromgeving is
Groeneveld kletste met de kinderen om te horen wat ze leuk vonden aan de schooltuin. Het waren geen gestructureerde interviews. Hij probeerde vooral ontlokkende vragen te stellen. Door kinderen bijvoorbeeld te vragen welke kleur ze in de tuin het mooist vonden, kon hij ze laten vertellen over wat ze in de tuin beleefden
Nadat Groeneveld alle gesprekken van band had uitgetypt, ging hij op zoek naar de patronen in de beleving van de kinderen. Daarvoor zocht hij aspecten die in alle gesprekken over schooltuinen naar voren kwamen. In zijn verslag vulde hij dat lijstje aan met citaten. Dat maakt de aspecten weer herkenbaar voor de leraren.
Groeneveld kwam op het idee voor het afstudeeronderwerp tijdens een boekpresentatie bij Kniphorst. In een discussie over een boek over ecologische groenteteelt stelde prof. dr ir Eric Goewie dat de basisschool al aandacht moet besteden aan de herkomst van ons dagelijkse voedsel. Dat bracht mij op het idee van de schooltuinen.
Mensen vervreemden in de huidige wereld van de natuur. Natuur- en milieu-educatie wil bereiken dat mensen weer wat voor de natuur over hebben, bijvoorbeeld door extra geld te betalen voor ecologisch geteelde producten. Mensen moeten dan eerst ontdekken wat voor waarde natuur voor hen heeft. Dat kan je niet vroeg genoeg doen.
Schooltuinen zijn voor kinderen een hele prikkelende leeromgeving, concludeert Groeneveld na zijn onderzoek. Ze zien veel, beleven veel; ze zitten met hun handen in de grond of zijn bang voor een bepaald beestje. Deze ervaringen zijn een goed uitgangspunt voor natuur- en milieu-educatie. Het geeft de kinderen een bron van ervaring. Het geeft ze ook een soort kapstok voor de dingen die ze bijvoorbeeld in een biologieles krijgen. Het brengt de theorie dichterbij.
De vrijheid die kinderen hebben in een schooltuin is volgens Groeneveld vooral positief. Kinderen kletsen met elkaar over de tuin en dat verdiept de leerervaring. Ze praten bijvoorbeeld over een mooie bloem. Als de leraar later in de klas uitlegt hoe bestuiving werkt, denken ze daar weer aan. Het is ook belangrijk voor hun motivatie.
Voor de kinderen op de LOM-school die Groeneveld sprak, leverde de tuin ook rust. Ze vonden het ontspannend om tussen de bonen het onkruid weg te wieden. Daardoor gaan ze de natuur meer waarderen. En dan is het heel logisch dat ze er op latere leeftijd meer rekening mee houden.
Een belangrijk thema van de natuur- en milieu-educatie, de biologische kringloop, is met de schooltuinen goed te illustreren, meent Groeneveld. De tuin verandert elk seizoen; een leraar kan dan uitleggen wat voor rol de beestjes in de tuin hebben
In zijn verslag adviseert Groeneveld leerkrachten meer met de kinderen te praten over de schooltuinen. Als je goed luistert, merk je dat kinderen heel veel leervragen hebben. Als je op basis daarvan biologielessen geeft, zijn die veel effectiever.
Zijn aanbevelingen vragen nogal wat van een leerkracht, vindt hij zelf. Het is simpeler om een biologieboek te kopen en dat van begin tot eind te volgen. Bij mijn methode moet de leerkracht heel flexibel zijn. Als kinderen bezig zijn met regenwormen in de schooltuin, dan moet hij daar snel op inspelen door een les over bodemdiertjes te houden. Een leerkracht moet ook heel goed een kringgesprek kunnen leiden en tegelijkertijd onthouden wat de kinderen bezighoudt, zodat hij zijn volgende lessen daarop aan kan sluiten.
Een andere aanbeveling van Groeneveld is om niet alleen een natuurtuin aan te leggen waar kinderen slechts kunnen kijken. Sommige scholen hebben bijvoorbeeld een natuurtuin met rotsen en vijvers. Reserveer ook een deel voor iets anders. Kinderen vinden het heel indrukwekkend de ontwikkeling van planten te zien. Om een zaadje te zien ontwikkelen tot een zonnebloem of een klimboon. Voor kinderen is het een leuke ervaring om stamppot te maken van boerenkool uit eigen tuin.
Groeneveld is heel positief over de schooltuinen, maar geeft toe dat er ook kinderen zijn die er weinig aan vinden. In zijn afstudeerverslag besteedt hij er een alinea aan. Het zou wel eens kunnen zijn dat kinderen met een andere culturele achtergrond het niet leuk vinden om bijvoorbeeld boerenkool te telen. Als je nooit boerenkool eet, denk je in de schooltuin ook niet: he boerenkool, wat leuk.

Re:ageer