Wetenschap - 25 april 1996

De planteziektentuin

De planteziektentuin

Het Gerei

Bezienswaardigheid voor de komende weken is de schimmel op de jeneverbes. Theo Ruissen wijst op de zwarte puntjes op de bast van de struik. Roest. Die zijn binnenkort uitgegroeid tot duimdikke oranje blaren."

Liefst wil Ruissen, universitair docent bij Fytopathologie, een bord in de planteziektentuin met een wisselende tekst over de ziekten die te bewonderen zijn. De drie tips van de week. Want sommige ziekten zijn fantastisch mooi. Ziekte is onlosmakelijk verbonden met elk levend organisme. Het is een stukje natuur, het hoort erbij."

Ruissen nam begin dit jaar het beheer van de tuin over van Gerrit Bollen, die hem in de jaren zestig opzette. Bollen moest destijds een practicum organiseren bij een college over planteziekten. Hij wilde de beschikbaarheid van ziekten niet aan het toeval overlaten en besloot ze te verzamelen in een tuin.

Het practicum wordt nog steeds gegeven. Ruissen zou graag zien dat de studenten na het practicum nog eens af en toe terugkomen. Om te kijken hoe een ziekte zich ontwikkelt. Want zo'n practicum is een momentopname. Het gewas ontwikkelt zich; sommige ziekten zie je nu niet, maar over een tijd wel. Eigenlijk moet je hier het hele seizoen rondlopen. Studenten die alleen tijdens een practicum komen, die missen zoveel!"

Jaarlijks, afhankelijk van de weersomstandigheden en het seizoen, hebben we zo'n 250 verschillende schimmelziekten en vijftig tot zestig virusziekten. Bacterie-ziekten hebben we veel minder, want die komen in Nederland minder voor. Maar als ze voorkomen, zijn ze altijd erg dominant en destructief. Kijk maar naar het bacterievuur in de fruitteelt, volop aanwezig in de jaren tachtig, en tegenwoordig het bruinrot in de pootaardappel." Ook plantenparasitaire nematoden, aaltjes, worden gehouden in de tuin, in betonnen ringen.

Grote risico's voor de omgeving levert de collectie niet op. Het is eerder zo dat ziekten uit de omgeving de tuin komen binnenwaaien dan andersom. We willen natuurlijk geen besmettingsbron vormen voor de omgeving. Ziekten die je niet makkelijk krijgt en die niet erg besmettelijk zijn, die brengen we wel zelf in. Sommige ziektes verspreiden zich via het zaad, dan zaaien we besmet zaad."

De tuin heeft een grove indeling: aan de zuidwestelijke kant liggen de schimmels en noordoostelijk de virussen. Maar uiteindelijk bepaalt de waardplant, de gastheer of -vrouw, waar een ziekte zich manifesteert. Een plant die op het virusdeel staat, kan makkelijk een schimmel oplopen.

De tuin ligt naast het virologie-gebouw aan de Binnenhaven. Helderwitte schelpenpaden omranden de grote bedden. Sommige zijn nog leeg, in andere staan kleine plantjes, stuiken en boompjes. Op zwarte bordjes staan drie namen: het gewas, de ziekte en de veroorzaker. Stokroos, roest, Puccinia malvacearium.

Naast de jeneverbes met roestplekjes staat een andere waardplant, een pereboom. Straks waaien de sporen van de jeneverbes over op de bladeren van de peer. Daar ontwikkelt de schimmel zich verder. Na de zomer keert de roest terug naar de jeneverbes. De roestschimmel heeft die cyclus nodig om zich in stand te houden. Dat heet een waardplantwisseling." Met die waardplant komt het nauw. Ruissen wijst: Hier doet de schimmel het uitstekend, maar op die andere jeneverbes niet." Een planteziektentuin in stand houden is daarom vooral een zaak van de juiste waardplanten koesteren.

Schuin tegenover de pereboom is de berberis aan het uitlopen. Dat is de tussenwaard voor zwarte graanroest. Ruissen heeft besmet roggestro tussen de takken gestopt. De besmetting is geslaagd; binnenkort zaait de verzorger van de tuin, Unifarm-medewerker Wim van Noort, graan naast de berberis.

In principe is de tuin altijd open en kan iedereen komen kijken. Er staan een paar bankjes; in de zomer eet menig gewasbeschermer temidden van de ziekten zijn boterhammetjes.

De bezoekfrequentie gaat omhoog zodra het fruit rijp is. Ook Ruissen komt dan vaker in de tuin, geeft hij toe. Kwaad voor de gezondheid kan het niet. Aangetast fruit eet je toch niet." Maar hij wil het niet aanmoedigen, want soms is de vrucht nodig, wil de ziekte zich manifesteren. Als de aardbeien weg zijn, krijg je natuurlijk geen vruchtrot meer."

Een stukje verderop, naast de tuin, staan nog wat laanbomen. Op het moment dat hij ze in het oog krijgt, roept Ruissen uit: Fantastisch! Die doet het goed." Zijn extase geldt de zachtoranje plekjes op de vijfnaaldige den. Volgens het bordje is het blaasroest, veroorzaakt door Cronartium ribicola. En als je ribicola hoort, denk je natuurlijk meteen aan...," doceert hij. Hier, ruik maar." Naast de den staat de geurige zwarte bes al te wachten op infectie. Wie wil meegenieten van de kleurenpracht, moet er snel bij zijn. In juni zie je dit stadium van de schimmel niet meer."


In uw inaugurele rede toonde u zich ruim een jaar geleden voorstander van rampen als bosbranden en overstromingen omdat die de diversiteit in de natuur bevorderen. U bent dus wel blij met de bosbranden?


Ik ben inderdaad die mening nog steeds toegedaan. De meeste branden zie je op de Veluwe en in Drenthe in naaldbossen met een wat schrale functie voor de houtproduktie. Op het gebied van natuur en recreatie stellen die bossen niks voor; het zijn sterk verzuurde dennenbossen, met nauwelijks ondergroei. Ja, een beetje bochtige smele en stekelvarens. Ook voor vogels stellen ze niets voor.

Bij een bosbrand ontstaan open plekken waar vegetatie een nieuwe kans krijgt, als je tenminste niet opnieuw inplant. Daardoor ontstaat een veel gevarieerder landschap. Het kan wat savanne-achtig worden met stukjes bos in verschillende stadia en stukjes heide. Interessant om in te wandelen en ook veel leuker voor de vogels.

Ik ben overigens niet de enige die dit vindt, hoor. Ook de Nijmeegse vegetatiekundige Victor Westhof heeft ervoor gepleit de brand te steken in die Veluwse bossen. Ik ben niet voor wat ze noemen beheersbranden. Daarvan zijn hele studies gemaakt, met reizen naar Denemarken om te zien welke apparatuur ze daar gebruiken. Het aardige is juist om de branden zoveel mogelijk hun gang te laten gaan.

Door de branden verandert de verhouding tussen stikstof en fosfor in de bodem. Door de verzuring is er teveel stikstof gekomen en veel planten kunnen daar niet tegen. Door branden verdwijnt stikstof, maar fosfor niet. Ik vind dat gunstig. Ook verdwijnt er humus; dat is een stikstofbron die ervoor zorgt dat het ammonium uitspoelt naar de bodem, waardoor allerlei metalen uitspoelen.

Als je niets doet op afgebrande plekken, ze gewoon zwartgeblakerd laat liggen, blijkt dat in de bodem nog allerlei zaden aanwezig zijn die de kans grijpen om te kiemen. Uit een recent promotie-onderzoek blijkt dat sommige zaden wel zeventig jaar in de bodem kunnen overleven. Interessante en zeldzame planten kunnen dus nog terugkomen op die plekken. Maar nogmaals, dan moet je niet opnieuw allelei naaldbomen gaan planten.

Re:ageer