Wetenschap - 7 december 1995

De naakte strijd om het bestaan van de Afrikaanse alma mater

De naakte strijd om het bestaan van de Afrikaanse alma mater

Academische wereld heeft weinig invloed op overheidsbeleid

Autonome universiteiten als hoeders van de samenleving; onafhankelijke academici die nauwlettend en kritisch de overheid volgen. Dit academische ideaal wordt ook in Afrika nog steeds gekoesterd, bleek tijdens een conferentie in Maastricht. Maar een bikkelharde realiteit smoort hooggestemde verwachtingen in de kiem. Overleven lijkt het enige dat telt.


Aan de universiteit van Dakar stierven in een week tijd twee jonge medewerkers door AIDS. Dat gebeurt vaker. De universiteit van Kinshasa is berekend op vijftienduizend studenten, maar telt er 78 duizend. Die sjouwen hun eigen stoeltje mee om te kunnen zitten; over de kwaliteit van het onderwijs zullen we het maar niet hebben. Dat is Afrika. De mensen zijn puur aan het overleven en zijn dus niet bezig met good governance."

Deze harde woorden uitte een Vlaamse deelnemer tijdens het congres Good governance for Africa: whose governance, op 23 en 24 november in Maastricht. Het congres ging vooraf aan de tweede vergadering van de Global Coalition for Africa (GCA), het overleg van Afrikaanse regeringsleiders en westerse donoren.

De bedoeling van de academische conferentie was het begrip good governance beter te duiden. Handig voor de GCA-deelnemers, dachten de organisatoren, want de term wordt tegenwoordig vaak gehanteerd in het ontwikkelingshulpcircuit. Ook moest het academische voorspel duidelijk maken welke rol voor universiteiten is weggelegd bij het toezien op behoorlijk bestuur.

Dat de organisatoren een link legden tussen universiteit en landsbestuur is niet vreemd. Beginselen als democratie, academische vrijheid en kritische reflectie horen immers op de campus thuis. Op basis hiervan kunnen onafhankelijke academici in principe waarschuwen voor bad governance.

Broedplaats

Maar de Afrikaanse realiteit noopt tot relativering, bleek uit de deprimerende verhandeling van de Nigeriaanse professor Toyin Falola. Hij vertelde hoe hoog geschoolde Afrikanen - veelal opgeleid in de Verenigde Staten of Europa - de ondergang van het koloniale bewind trachtten te bespoedigen, vanuit de door de kolonisatoren opgezette universiteiten. Vlak na de onafhankelijkheid werkten ze ruimhartig mee aan de formulering van alternatieven. Ze kenden een belangrijke rol toe aan overheden; die moesten het emancipatieproces van de jonge natie vorm geven.

De grote Afrikaanse sprong voorwaarts bleef echter uit. Het vertrouwen in het politieke bedrijf verminderde snel. De universiteit werd juist een broedplaats van verzet, waarop de staat hard ingreep. Met het leger op de campus was de autonome universiteit definitief passe.

De staat is nog steeds alom aanwezig. Hij onderwerpt de universiteit aan het nationale belang, via politieke benoemingen en ingrepen in curriculum en onderzoek, meent Falola.

De problemen voor de universiteiten zijn verder vergroot door de algehele economische malaise, vertelt de Nigeriaanse hoogleraar. Het ontbreekt zo'n beetje aan alles: geld voor fatsoenlijke salarissen, bibliotheken, goed leermateriaal, onderzoeksmogelijkheden, ondersteunend personeel, goed opgeleide instromende abiturienten et cetera. De universitaire graad is verworden tot statussymbool, een handige binnenkomer bij werkgevers, maar de titel zegt niets meer over de kwaliteiten van de drager. Dit alles versterkt de braindrain naar het rijke westen. De Nigeriaan is zelf het levende bewijs. Hij nam de wijk naar de universiteit van Texas.

De Afrikaanse universiteiten worden gekenmerkt door een klimaat van onzekerheid, concludeert Falola. De rol van de academicus in de staat is geminimaliseerd; hij is voornamelijk bezig met bijverdienen om te overleven, of hij wordt opgenomen in overheidsdiensten en ingezet tegen zijn oud-collega's op de universiteit.

Vluchtroutes

Het uiterst sombere verhaal van Falola doet de vraag rijzen in hoeverre Nederlandse universiteiten via samenwerkingsverbanden het tij kunnen keren. De rector van de Universiteit Utrecht, prof. H. van Ginkel, hecht grote waarde aan netwerken van universiteiten uit het noorden en het zuiden. Dit type samenwerking kan allerlei vakgebieden beslaan, bijvoorbeeld landbouw, letteren of theologie.

Het voordeel van zo'n netwerk is dat goede resultaten en methodieken makkelijk worden doorgegeven onder de deelnemers. Ook spreid je met zo'n netwerk de risico's. De praktijk van het ontwikkelingswerk leert namelijk dat de geldstroom van donoren abrupt kan opdrogen door wisseling van de politieke wacht. Ook eisen donoren soms ineens meer aandacht voor bijvoorbeeld het milieu, onder het motto wie betaalt bepaalt. Een netwerk met verschillende noordelijke universiteiten verkleint het gevaar van dergelijk grillig donorgedrag. Dan hebben de zuidelijke partners meerdere noordelijke vluchtroutes achter de hand, aldus Van Ginkel. Een groot probleem is echter dat dergelijke verbanden betaald moeten worden uit de pot van Unesco, een armlastige VN-organisatie.

Versplintering

De belangrijkste financier van universitaire samenwerking in Nederland is de Nuffic, de Nederlandse organisatie voor internationale samenwerking in het hoger onderwijs. De Nuffic beoogt haar hulp via het MHO-programma (Medefinanciering Hoger Onderwijs) te concentreren op twaalf instellingen in de tropen, waarvan zeven in Afrika.

Elke tropenuniversiteit werkt samen met een conglomeraat van Nederlandse universiteiten en hogescholen. Ook de Landbouwuniversiteit doet mee; ze werkt onder meer samen met universiteiten in Costa Rica, Burkina Faso en Mozambique. De samenwerking beslaat wetenschappelijke terreinen als irrigatie, toerisme en sociologie. Maar ook verleent de LUW diensten bij het beheer van een bibliotheek en de automatisering van de studentenadministratie.

Van origine begeleidt de Nuffic samenwerkingsprojecten met veel tropenuniversiteiten, maar ze constateerde dat door de versplintering van die hulp de effectiviteit verminderde. Daarop besloot ze het aantal buitenlandse partners te beperken tot twaalf. De Nuffic is nu bezig met de selectie.

Die lastige keuzes zijn het werkterrein van de Nuffic-projectencommissie onder voorzitterschap van prof. D.W. Bresters. Een belangrijke vraag van de commissie bij keuzes in de financiering is of instellingen redelijk draaien en niet voortdurend worden geplaagd door stakingen en binnenvallende soldaten. De commissie acht een minimum aan fysieke en bestuurlijke infrastructuur noodzakelijk, opdat het geld niet automatisch in een bodemloze put verdwijnt.

Enclaves

Het feit dat de Nuffic erin slaagt universiteiten te vinden die voldoen aan de eisen, nuanceert het trieste verhaal van de Nigeriaan Falola. Als er nog redelijk onafhankelijk opererende universiteiten bestaan, kunnen die spaarzame functionerende academische enclaves dan - het thema van de conferentie indachtig - hun overheid aanspreken op behoorlijk bestuur? En fungeert universitaire samenwerking dan als de benodigde hefboom?

Commissievoorzitter Bresters: Soms krijg je het idee dat het allemaal vruchteloos is; de bekende frustratie van mensen die in ontwikkelingssamenwerking zitten. Ook binnen ons eigen MHO-programma hebben we twijfels bij enkele universiteiten, ik wil geen namen noemen. Toch loopt het op de meeste plaatsen heel aardig en ben ik vrij content. Het idee dat je middels universitaire samenwerking rechtstreeks invloed kunt uitoefenen op een overheid is echter een fictie. Dat werkt alleen indirect. Je probeert goede mensen op te leiden die helder en analytisch denken. Zij kunnen later in de overheid meewerken aan behoorlijk bestuur. Verder moet je niet te veel pretenties hebben."

Re:ageer