Wetenschap - 11 juli 1996

De kunst als leermeester van de natuur

De kunst als leermeester van de natuur

Ooit was tuinarchitectuur sterk gelieerd aan andere kunstvormen, zoals schilderen en beeldhouwen. Twee recent verschenen boeken en twee tentoonstellingen geven daar op verschillende wijze blijk van. Maar de aard van de relatie is veranderd. Waar een tuin ooit de verzinnebeelding was van religie, filosofie en emoties, staat tegenwoordig de functionaliteit voorop. De middeleeuwse tuinontwerper hield zich bezig met het verzinnebeelden van de maagdelijkheid van Maria, zijn moderne collega buigt zich over het poetiseren van een plek voor hondenuitlaters en spelende kleuters.


Landschapsarchitectuur is altijd een wat vreemde eend in de bijt gebleven aan de Landbouwuniversiteit. Begin twintigste eeuw werd het vak beschouwd als fraai maar nutteloos, stelt LUW-historicus J. van der Haar in zijn geschiedschrijving van de Landbouwuniversiteit. Toenmalig lector H.F. Hartogh Heys van Zouteveen moest college geven op zijn prive-studeerkamer, en een hoogleraarschap kwam er niet. Dat professoraat zou pas na de Tweede Wereldoorlog komen, voor Hartog Heys' opvolger Bijhouwer. Toen pas maakte de landschapsarchitectuur zich los van de moederrichting tuinbouw. Een vreugde van korte duur; inmiddels is de studie weer opgegaan in de anonimiteit van landinrichtingswetenschappen.

Wat beklijft er van die geschiedenis? Niet op de minste plaats veel Wagenings groen. Vrijwel ieder Wagenings park is ontworpen door tuinarchitecten in dienst van de LUW en haar voorgangers. En daarnaast ligt opgetast in de kelders van het Jan Kopshuis een grote verzameling ontwerpen, schetsen en boeken; werk van tuinarchitecten die globaal ontwierpen tussen 1850 en 1945. Die verzameling, uniek in Nederland, is grotendeels opgebouwd door Carla Oldenburger, conservator van de Bijzondere collectie van de bibliotheek van de Landbouwuniversiteit. Daarnaast is ze ook voorzitter van Cascade, het genootschap voor de geschiedenis van de Tuin- en landschapsarchitectuur.

Niet verwonderlijk dan ook is zij hoofdauteur van de Gids voor de Nederlandse Tuin- en Landschapsarchitectuur, een vier delen tellend boekwerk, waarvan zojuist het tweede deel is verschenen. Naast een algemene inleiding over de geschiedenis van de Nederlandse tuinarchitectuur bevat het boek veelal uitgebreide beschrijvingen van ruim vijfhonderd openbaar toegankelijke tuinen en parken in Gelderland en Utrecht.

Begraafplaats

Een uitputtend overzicht, wat bijvoorbeeld blijkt onder het kopje Wageningen. Zeker voor import-Wageningers zal het verrassend zijn te ontdekken dat Wageningen naast het LUW-arboretum en de botanische tuin nog een belangrijke tuin bezit: de Algemene begraafplaats aan de Buissteeg. Die is ontworpen door L.A. Springer, de meest bekende en produktieve Nederlandse tuinarchitect van rond de eeuwwisseling, ooit een blauwe maandag docent in Wageningen. Daarnaast komen Plantsoen en Torckpark aan bod; er is zelfs een korte vermelding voor de Kruidentuin aan de Haarweg. Overigens zijn de ontwerpschetsen van deze tuinen vanaf 12 juli te zien in het Wageningse museum De Casteelse Poort.

De auteurs Oldenburger, Anne Mieke Backer en Eric Blok zijn erin geslaagd hun gids voor zowel leek als kenner interessant te maken, door de vele ingangen: naast een overzicht van de tuinen bevat het boek indexen op ontwerper, plaatsnaam en naam van de tuin, aangevuld met biografieen van belangrijke ontwerpers en een zeer uitgebreide literatuurlijst. Enig kritiekpunt is de weergave van de ontwerpschetsen. Die is soms zo klein afgebeeld, dat het moeilijk is op grond daarvan een beeld van de tuin te vormen.

Naast feitelijke informatie over stijlen geeft de historische inleiding een goed overzicht van de wisselende verhouding tussen mens en tuin. Tegenwoordig lijkt tuinieren vaak verbonden met een terug-naar-de-natuur-gevoel: buiten leven, met de barbecue als getemde versie van het kampvuur waar onze prehistorische voorouders zich rond schaarden. Maar dat blijkt een zeer modern levensgevoel. De tuin heeft eeuwenlang meer bij cultuur dan natuur thuisgehoord: in een tuin kon de middeleeuwer bijvoorbeeld de maagdelijkheid van Maria verzinnebeelden. Ook aan de latere Franse tuinen, met hun geometrische patronen, is duidelijk te zien dat de natuur zich naar de cultuur moest schikken en niet omgekeerd.

Vergankelijkheid

Niet verwonderlijk waren tuin en kunst dan ook nauw verbonden. Dat blijkt ook op de tentoonstelling Aardse paradijzen in Den Bosch, waarvan onder dezelfde titel een prachtig geillustreerde en lezenswaardige catalogus is verschenen.

Tuinen werden verbeeld in kunstwerken, maar beinvloedden ook het maken ervan. Bovendien fungeert de beeldende kunst als het geheugen van de tuinarchitectuur. Een belangrijk kenmerk van tuinen is immers de vergankelijkheid. Dat blijkt ook uit de beschrijvingen in de gids van Oldenburger, Backer en Block: vrijwel geen tuin van enige eeuwen oud is nog in zijn oorspronkelijk staat te bewonderen.

De tentoonstelling stopt bij de achttiende eeuw, maar in het voor volgend jaar geplande vervolg zal ongetwijfeld ook de crisis in het tuinontwerp aan bod komen die de Gids voor de Nederlandse Tuin- en Landschapsarchitectuur signaleert in de twintigste eeuw. De tuinarchitectuur komt in een malaise; ze mist de aansluiting bij moderne kunststromingen. Zeker na de Tweede Wereldoorlog, als wederopbouw en woningnood de centrale problemen van de stedebouw zijn, wordt tuin- en parkontwerp steeds meer een aanhangsel van de stedebouw.

Als zelfstandige eenheid ontworpen tuinen en parken maken plaats voor hierarchisch ontworpen stadsgroen: rondom een woonblok komt woongroen, dat via buurtgroen (met bankjes) en wijkgroen (met speelplaatsen) overloopt in stadsdeelgroen om op het hoogste niveau te eindigen in stadsgewestparken met grootschalige recreatievoorzieningen.

Er is nog een tweede tendens gaande: terug naar de natuur. Eigenlijk zeer merkwaardig. De gids en Aardse paradijzen geven aan dat het archetype van de tuin het bijbelse paradijs is: goddelijke orde, geschapen uit de chaos van de natuur. Het verzorgen van een tuin was in vroeger eeuwen immers synoniem met een verbeten strijd tegen de natuur, die in de vorm van woekerende planten, dichtslibbende vijvers en onkruid het verloren gegane terrein weer wil heroveren. Natuur was eng en onveilig, de tuin stond voor cultuur, beschaving en geborgenheid.

Die houding is in de twintigste eeuw honderdtachtig graden gedraaid: natuur in de tuin is fijn, lief en leuk. De tuinarchitecten zullen tegen die draai moeten strijden, of ermee leren leven. Moderne stedebouwers en kunstenaars lijken de eerste optie te volgen: zij zien in de eisen van de stad een uitdaging. Zo vat kunstenaar Irene Fortuyn haar opdracht om een park aan te leggen in Den Haag op als het poetiseren van een plek voor hondenuitlaters en spelende kleuters, schrijven de auteurs van de gids. Deze groep grijpt weer terug op de strenge vormvastheid van vroeger eeuwen: geen uitbundig groen, maar strakke lijnen en een overvloed aan visuele afwisseling, die tegemoet komt aan de dorst naar indrukken van de 21ste-eeuwse parkbezoeker.

Anderen gaan juist mee in het moderne natuurgevoel. Zo speelden in Wageningen opgeleide architecten een belangrijke rol bij de opzet van natuurontwikkelingsproject de Blauwe Kamer. Zeer terecht dan ook is dit project opgenomen in de Gids voor de Nederlandse Tuin- en Landschapsarchitectuur. Natuurontwikkeling waar de mens zoveel mogelijk buiten staat is immers de ultieme consequentie van de beweging naar de natuur.

Gids voor de Nederlandse Tuin- en Landschapsarchitectuur; deel Oost en Midden. Carla Oldenburger, Anne Mieke Backer en Eric Blok. Uitgeverij De Hef Publishers Rotterdam, 1996. ISBN 90-6906-022-1. 69,90 gulden. 340 pagina's.

Aardse paradijzen; de tuin in de Nederlandse kunst 15de tot 18de eeuw. Eric de Jong, Marleen Dominicus-Van Soest. Snoeck-Ducaju & Zoon, 1996. ISBN 90-5349-204-6. 45 gulden. 224 pagina's.

De tentoonstelling Aardse paradijzen is tot 25 augustus te zien in het Noordbrabants museum te 's-Hertogenbosch en vanaf 14 september in het Frans Halsmuseum te Haarlem.

Op 12 juli om 16.00 uur opent rector Karssen op het Wagenings kantongerecht de tentoonstelling Plantenschatkamers in Wageningen; 100 jaar arboretum en herbarium. De tentoonstelling is te zien in het Wageningse museum De Casteelse Poort.

Re:ageer