Wetenschap - 19 december 1996

De jeugdpuistjes van het Nederlandse bos

De jeugdpuistjes van het Nederlandse bos

Het Nederlandse bos is relatief jong. Een groot deel is sinds de tweede helft van de negentiende eeuw ingeplant op voormalige heide-, polder- of landbouwgronden. Uit metingen aan gelijkjarige opstanden van douglas, es en populier blijkt dat deze achtergrond nog steeds de groei beinvloedt. Zogeheten primaire groeiplaatsfactoren, zoals de vochtvoorziening tijdens de aanleg, verklaren nog immer deels de huidige hoogteverschillen. Secundaire groeiplaatsfactoren die op latere leeftijd een rol spelen, zoals bosklimaat, bodem- en humusvorming, zijn daardoor minder belangrijk dan veelal wordt gedacht. Dit schrijft dr ir J. van den Burg in zijn proefschrift De betekenis van bodem en klimaat voor het Nederlandse bos, waarop hij op 17 december promoveerde bij de vakgroep Bodemkunde en geologie. Van den Burg deed zijn onderzoek bij het Instituut voor Bos- en Natuuronderzoek (IBN-DLO).

Volgens de promovendus is er nog weinig onderzoek verricht dat expliciet de invloed van afzonderlijke groeiplaatsfactoren op de groei van afzonderlijke boomsoorten kwantificeert. Deze gegevens acht hij van groot belang voor de uitvoering van het toekomstige Nederlandse bosbouwbeleid. Zo wil de overheid meer landbouwgronden bebossen en streeft ze naar een hogere zelfvoorzieningsgraad in hout. Ook moet het aandeel ongelijkjarig gemengd bos toenemen. Bij al deze voornemens is een uitgebreide kennis van het gedrag van de afzonderlijke soorten een pre, stelt Van den Burg.

Re:ageer