Wetenschap - 2 oktober 1997

De inkomensongelijkheid neemt toe

De inkomensongelijkheid neemt toe

De inkomensongelijkheid neemt toe
Ellen Keurentjes, Huishoudstudies
Tijdens een capita selecta kwam haar het boek Silent Depression, the Fate of the American Dream van Wallace C. Peterson onder ogen. Peterson schetst aan de hand van talloze statistieken een weinig florissant beeld van de economische ontwikkelingen in de Verenigde Staten. Aanleiding voor Ellen Keurentjes om zich af te vragen of het in Nederland ook zo somber gesteld is. En voldoende reden om zich voor een afstudeervak Economie van het huishouden drie maanden lang te verdiepen in jaarboeken vol tabelletjes en grafiekjes van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) en het Sociaal Plan Bureau (SPC)
De kern van Petersons niet al te rooskleurige beeld ligt in het feit dat de economische groei voorbijgaat aan zo'n tachtig procent van de Amerikanen. De grote moot ziet zijn dream niet verwezenlijkt; sterker nog, koopkracht en individueel inkomen nemen sinds 1973 af
Tot dat jaar ging het goed met de VS. De economie groeide, er was voldoende werkgelegenheid. Inkomens groeiden mee, de welvaart nam toe. Maar na 1973 ging het voor velen bergafwaarts. De inkomensongelijkheid nam toe: er kwamen meer rijken, maar ook meer armen. Zo ging het gemiddeld uurloon voor vier vijfde van de werkende mannen tussen 1979 en 1989 met 6,8 procent naar beneden, terwijl het voor het rijkste deel groeide met 7,8 procent
Over het geheel neemt het reele inkomen af, maar groeit het inkomen per huishouden vanaf 1973 nog lichtjes. Er moet dus harder gewerkt worden voor eenzelfde loon. De kosten voor het gezin stijgen daardoor navenant, want meer dollars moeten gespendeerd worden aan vervoer, kinderopvang en maaltijden buiten de deur. Bovendien verslechteren de werkomstandigheden en komen er meer slecht betaalde banen, die Peterson poverty level jobs noemt. Banen waarvan de verdiensten nog niet eens het niveau van de armoedegrens ontstijgen. Ruim drie kwart van de Amerikanen kan zijn droom wel vergeten. Vooral zwarten, eenoudergezinnen en jonge gezinnen moeten steeds harder werken voor dezelfde levensstandaard. En wat de droom van een eigen huis betreft: de kosten van een hypotheek maken voor jonge gezinnen tegenwoordig zo'n dertig procent van het inkomen uit; in de jaren zestig was dat vijftien procent
Maar hoe zit het in Nederland, met minimumloon, uitkering en cao? De inkomensongelijkheid is inderdaad minder groot dan in de VS. Maar daalde die ongelijkheid nog van 1972 tot 1983, daarna is zij weer groter geworden. Verdiende in 1983 de bovenste twintig procent van de beroepsbevolking nog 4,25 maal zoveel als de laagste twintig procent, in 1990 was dat al 5,80 keer zoveel. In de VS is dat respectievelijk 8,59 en 9,63
Het gemiddeld reele inkomen mag in deze periode dan gegroeid zijn in Nederland, dat blijkt zeker niet voor iedereen het geval. Vooral vrouwen en allochtonen hebben nog steeds een achterstand. Vrouwen missen de ervaring, allochtonen de opleiding. Op een gemiddeld uurloon van voltijds werkenden - net iets boven de dertig gulden - vinden vrouwen ook in 1992 nog 8,10 gulden minder in hun loonzakje terug dan mannen. En universitair opgeleiden verdienen in Nederland 1,8 maal zoveel als zij met een basisopleiding. Overigens is ook dat verschil in de VS groter: mensen met vijf jaar college achter de rug verdienen gemiddeld 3,5 maal zoveel als zij die alleen de elementary school hebben doorlopen
Positief lijkt het allemaal allerminst. Zeventien procent van de Nederlanders leeft in 1992 onder de armoede grens. Het leeuwendeel bestaat uit uitkeringsgerechtigden: werklozen, arbeidongeschikten, bijstandsmoeders en bejaarden. Een voordeel hebben cao's en aan leeftijd gekoppelde minimumlonen wel: poverty level jobs zijn in Nederland, althans in de statistieken, niet te vinden
Omdat volgens Peterson bijna niemand in de gaten heeft dat grote groepen het economisch niet zo bijster voor de wind gaat, gaf hij zijn boek de toevoeging silent mee. Ook in Nederland lijkt dat op zijn plaats. Hooguit zijn de groepen met een achterstand percentueel kleiner en de absolute verschillen met de rest geringer. Gelukkig zijn hier zelden drie banen nodig om een substantieel inkomen binnen te halen
Een moeilijkheid in het onderzoek van Keurentjes lag in het feit dat de cijfers uit de VS en Nederland niet altijd even goed vergelijkbaar zijn. Vooral de verschillende definities die eraan ten grondslag liggen zijn hier debet aan. De armoedegrens in de VS is bijvoorbeeld een hele andere dan hier, legt Keurentjes uit. Heb je daar normaal te eten dan zit je er al boven. Hier is dat anders. Met enige creativiteit is een vergelijk wel mogelijk, stelt Keurentjes. Is een begrip als koopkracht niet te vergelijken, omdat in de twee landen een verschillend productenpakket bestaat, de toe- of afname in koopkracht kan weer wel vergeleken worden. Het poldermodel wordt internationaal geprezen, schrijft Keurentjes in het voorwoord van haar verslag. Kolder of terecht? Om te vervolgen: De Nederlandse vrouwen hebben de economie gered? Is dat zo? Deze vragen blijven onbeantwoord. Met liefde en plezier had ik me willen storten op het boven water halen van de antwoorden. Maar ik doe het niet. Keurentjes heeft er geen tijd voor. Ze heeft vanaf half oktober een baan in de wereld van de informatietechnologie

Re:ageer