Wetenschap - 3 oktober 1996

Costaricaanse zoektocht naar duurzaam toerisme

Costaricaanse zoektocht naar duurzaam toerisme

De toerist als redder van het milieu

's Werelds snelst groeiende industrie is het toerisme en Costa Rica, een land dat grossiert in zon, zee en natuurschoon, profiteert van die groei. Maar de negatieve uitwassen groeien navenant en versterken de roep om duurzaam toerisme. In het kader van het duurzame-ontwikkelingsverdrag troffen Nederlanders en Costaricanen elkaar eind september in Wageningen. De LUW-werkgroep Recreatie en toerisme droeg ook een steentje bij aan de discussie.


We zijn een jonge industrie, nog geen tien jaar oud en explosief gegroeid. Maar de groei daalt; de bezettingsgraad van de kamers ligt nu onder de vijftig procent. We moeten meer kwaliteit leveren voor een lagere prijs, we concurreren immers met de hele wereld. Hoe doe je dat zonder veel fouten te maken?" Mauricio Ventura van Canatur, de Costaricaanse kamer van grote en middelgrote toeristische ondernemers, schetste op 23 september in het Wageningse restaurant Nol in 't bosch de stormachtige ontwikkelingen in zijn land.

Sinds Midden-Amerika goeddeels bevrijd is van afschrikwekkende guerrilla-oorlogen, is Costa Rica uitgegroeid tot een populaire vakantiebestemming. De mooie stranden, natuurparken en veilige en goed bereikbare locaties bleken effectieve troeven in de reclame-campagnes. Waren in 1989 een kleine 330 duizend reizigers te gast, in 1995 werden ruim 780 duizend buitenlandse bezoekers geteld. Daarmee is het toerisme inmiddels 's lands belangrijkste bron van buitenlandse deviezen.

Maar de ontwikkeling verloopt chaotisch en gaat gepaard met milieuvervuiling, sociale spanningen en groeiende dominantie van buitenlandse investeerders. Zodoende werd duurzaam toerisme opgenomen in het duurzame-ontwikkelingsverdrag met Nederland. Dit verdrag vervangt de oude vorm van ontwikkelingssamenwerking en legt meer nadruk op uitwisseling van kennis en ervaring. In beide landen zijn technische comites voor toerisme opgezet. Daarin is plek ingeruimd voor zowel overheid, universiteiten en ondernemers als voor niet-gouvernementele organisaties (ngo's). Een novum in de ontwikkelingshulp, die voorheen vooral dreef op intergouvernementele afspraken.

Beide comites troffen elkaar afgelopen week in Nederland. Ze formuleerden een werkplan voor de komende vier jaar. Geen eenvoudige opgave, want de tegenstellingen binnen de Costaricaanse gelederen waren groot. Dat bleek toen Rodolfo Lizano het beleid van het ministerie van Toerisme toelichtte. Het departement onderkent het belang van goede planning, maar het ontbreekt aan goede wetgeving en controle, bijvoorbeeld op de naleving van milieuverordeningen. Bovendien woog voorheen bij investeringen in de toeristische sector het economisch gewin veelal zwaarder dan het verlies van bedreigde dier- en plantensoorten. Maar de term duurzaam toerisme is inmiddels ook het ministerie binnengedrongen. Daarom werken de ambtenaren onder meer aan een classificatiesysteem dat hotels indeelt op hun milieuvriendelijke karakter: wordt het afvalwater gezuiverd, is het hotel gebouwd met lokaal materiaal, et cetera.

Celenia Cordero van de organisatie van kleine toeristische ondernemers reageerde geprikkeld op het verhaal van Lizano. Wij doen al hartstikke veel voor het milieu. Wij hebben prive-terreinen met natuurschoon en laten geen grote groepen toe die de rust verstoren. Ons grootste probleem is dat we door de hoge rente, meer dan dertig procent, niet kunnen investeren. Dat kunnen alleen buitenlanders betalen, dus moet de staat ons helpen."

Lizano onderkende het probleem, maar schoof de verantwoordelijkheid snel af. Het ministerie wil wel, maar krijgt van de Wereldbank bijvoorbeeld geen toestemming voor het verlenen van kredieten. De bank financiert een programma voor kleine ondernemers, maar acht de risico's van kredietverstrekking te groot, juist vanwege de hoge rente en het diverse, ongrijpbare karakter van de doelgroep.

Golfbanen

In het Nederlandse comite zijn de belangentegenstellingen minder scherp dan onder de Costaricanen, mede omdat de commerciele sector goeddeels ontbreekt. Touroperators en chartermaatschappijen staken tot nu toe liever geen tijd in dit onduidelijke strategische proces. Toch gaven enkelen acte de presence in Nol en anderen figureerden als gastheer in het vervolgprogramma.

De LUW-werkgroep Recreatie en toerisme was wel prominent aanwezig in het comite en heeft de uitwisselingsweek grotendeels georganiseerd. Waarom? Dat levert toch geen publicaties op? Drs J.F.B. Philipsen ziet het vooral als een investering. De werkgroep richtte zich voorheen vooral op de recreatie in Nederland, maar heeft haar vleugels uitgeslagen naar toerisme. Bij dat thema zijn de bedrijfseconomische overwegingen van multinationals en de bestemmingsvoorkeuren en mobiliteit van de toerist onderwerp van studie. En de case Costa Rica verscherpt het inzicht in de toeristische keten en de praktische haken en ogen van toerisme.

Een treffende illustratie is het omstreden plan voor het Papagayo-schiereiland aan de Pacifische kust. Daar verrijst het toeristische centrum van Costa Rica met golfbanen en luxe hotels met 24 duizend bedden, een verdubbeling van het totale beddenbestand. In dit mega-project heeft het ministerie voor het eerst nadrukkelijk de planning begeleid. Door aanhoudende protesten van lokale bevolking en milieubeweging over het verlies van cultuur- en natuurwaarden moest het ministerie voortdurend de eisen rond bijvoorbeeld horizonvervuiling en afvalwaterzuivering aanscherpen. Het project liep fikse vertraging op en blijft een steen des aanstoots; in Wageningen werd Papagayo meerdere keren aangehaald als een nare representant van massatoerisme.

Op de vraag of verdragsmiddelen nu ook ingezet mogen worden voor verbetering van grootschalig toerisme kwam aanvankelijk geen eenduidig antwoord. Het ministerie en de grote en middelgrote ondernemers verenigd in Canatur hadden er wel oren naar, maar de ngo's pleitten voor kleinschalige alternatieven. Volgens hen profiteren lokale gemeenschappen namelijk nauwelijks van het toerisme. Het ontbreekt hen aan kapitaal, scholing, talenkennis. Zolang dat niet verbetert, is er geen sprake van duurzaam toerisme. Dus zijn er projecten vereist binnen het duurzame-ontwikkelingsverdrag, maar de gemeenschappen weten niet hoe ze projecten moeten opzetten, formuleren en indienen.

Procedures

En zo ging de discussie over prioriteiten en verdragsmiddelen voort. Ook de werkgroep Recreatie bleek geinteresseerd in de pot van Pronk. Philipsen meldde dat de werkgroep sinds 1993 betrokken is bij de opzet van een toerisme-opleiding bij de universiteit van Heredia, de UNA. Die is hard nodig, gegeven het gebrek aan goedgeschoold toerisme-kader. Maar de uitvoering is geen sinecure. Zo moest de werkgroep - die nog geen ervaring had met ontwikkelingssamenwerking - wennen aan de lange procedures van financier Nuffic, de Nederlandse organisatie voor internationale samenwerking in het hoger onderwijs. De opleiding moet gestalte krijgen in de UNA-dependance in Chorotega, vlak bij het Papagayo-schiereiland. Hier moeten nieuw op te leiden docenten onderwijs geven over en onderzoek doen naar een sociaal, economisch en ecologisch verantwoorde vorm van toerisme.

Philipsen betwijfelt inmiddels of de UNA-dependance dat op korte termijn kan waarmaken. Als je nog niet eens je eigen gebouwen goed onderhoudt, hoe kun je dan een goede opleiding verzorgen voor een sector waar klantgerichtheid, kwaliteit en goede service juist voorop staan?", luidt zijn retorische vraag.

De Wageningers broeden daarom op praktijkgericht onderzoek bij lokale gemeenschappen in Chorotega. Hoe kun je daar toeristische initiatieven opzetten en ondersteunen? Zo'n ervaringsproject past prima in een geleidelijke opzet van de toerisme-opleiding, meent de Wageninger. En de Costaricaanse comite-leden kunnen er hun voordeel mee doen. Met een groter draagvlak stijgt bovendien de kans dat dit project met verdragsmiddelen kan worden gefinancierd. Zo'n financieel opstekertje zou zeer welkom zijn, want Nuffic kortte onlangs het budget met dertig procent.

Dagtochten

Aan het eind van de slopende week deelt Philipsen opgelucht mee dat de Wageningse plannen in goede aarde vielen. Dat kwam vooral doordat bij de Costaricanen en de Nederlanders het besef is gegroeid dat een verzameling aan elkaar geniete losse projectjes niet acceptabel is. Om uberhaupt geld te krijgen, moeten ze gezamenlijke prioriteiten vaststellen. Zo willen de ngo's de lokale gemeenschappen ondersteunen en tegelijkertijd aangeven onder welke voorwaarden groepjes toeristen, afkomstig uit de grote hotels aan de kust, via dagtochten op bezoek kunnen komen. Het LUW-onderzoek past volgens Philipsen prima in dit thema toerisme als motor voor gemeenschapsontwikkeling.

Het werkplan rept verder van samenwerking op de thema's professionalisering van en indicatoren voor duurzaam toerisme. De projecten blijven niet beperkt tot Costa Rica, stelt Philipsen, want het bezoek leerde dat Nederland ook het nodige kan leren van de Costaricanen. Zo kijken Nederlanders veelal met een strenge duurzaamheidsbril naar het Costaricaanse toerisme en concluderen dat het milieuverpestend en sociaal en economisch ontwrichtend is. Maar gaat het om duurzaam toerisme in een Nederlands natuurgebied, dan spelen voornamelijk ecologische argumenten een rol en komt een herverdeling van opbrengsten ten faveure van kleine ondernemers niet ter sprake. Dit meten met twee maten wordt nu teniet gedaan door de transatlantische uitwisseling van comites, vindt Philipsen. Costa Rica wijst ook met een beschuldigend vingertje naar ons."

Re:ageer