Wetenschap - 22 februari 1996

College worstelt met bestuursstructuur

College worstelt met bestuursstructuur

Het college van bestuur weet niet hoe het bestuur en beheer van de LUW op elkaar moet worden afgestemd. Nu er onderwijs- en onderzoeksinstituten zijn ingesteld, doemt de vraag op: gaan de fonkelnieuwe instituten begrotingen opstellen, personeel aanstellen en ontslaan, of blijven de vakgroepen dat doen, daarbij ondersteund door de sectorbureaus? Integraal management, zoals minister Ritzen wil, blijkt uitermate lastig als de befaamde Wageningse matrixstructuur met veel vakgroepen niet wordt opgegeven.


Zo'n vijf jaar geleden besloot de Landbouwuniversiteit om delen van het beheer dichter bij de vakgroepen te brengen. Ze tuigde vijf sectorbureaus op, die de zogenaamde clusters van vakgroepen gingen ondersteunen. Inmiddels heeft de universiteit besloten de clusters op te heffen. Ze moeten worden vervangen door zeven onderzoeksinstituten en vier onderwijsinstituten. Deze instituten, met een directeur en een bestuur, moeten het onderwijs- en onderzoeksbeleid van de universiteit vormgeven. Vakgroepen moeten taken binnenslepen door met goede voorstellen te komen die door de instituten worden beoordeeld, gecoordineerd en gehonoreerd.

In het nieuwe wetsvoorstel van onderwijsminister Ritzen over de universitaire bestuursstructuur wordt gerept over integraal management en over het verdwijnen van de huidige vakgroepen. Integraal management betekent het in een hand brengen van bestuur en beheer. Voor de gewone universiteiten lijkt duidelijk wat dat betekent: de voorzitter van de faculteiten, de decaan, wordt de manager die vanuit een bestuurlijke visie het beheer aanstuurt.

Voor de Landbouwuniversiteit, met slechts een faculteit en zo'n zestig vakgroepen, is het een stuk complexer. De meeste vakgroepen zijn niet te vangen onder een onderwijs- of onderzoeksinstituut, maar leveren bijdragen aan meerdere. Aansturing vanuit die instituten kan dus leiden tot tegengestelde bewegingen. Integraal management zou er, in de visie van de secretaris van de universiteit ir Th. Theijse, toe kunnen leiden dat de instituutsdirecteuren de beschikking krijgen over kleine ondersteunende bureaus. Zowel beheer als bestuur van de vakgroepen en instituten, zoals de benoeming van personeel, kan dan worden aangestuurd door de instituutsdirecteur, meent de secretaris.

Verkokering

De door Theijse geschetste aanpak wordt een van de twee varianten die het college van bestuur krijgt voorgelegd, stelt de LUW-jurist mr. H.O. Gorter. In het andere model blijven de vakgroepen verantwoordelijk voor het personeelsbeleid en -beheer en blijven de sectorbureaus intact. Voordeel is dat er geen verkokering tussen de instituten optreedt, nadeel is dat er geen integraal management kan worden gerealiseerd: de instituutsdirecteuren doen het beleid, de sectordirecteuren het beheer.

Bijkomend probleem is volgens Gorter dat Ritzen de circa zestig vakgroepen wil opheffen en dat niet duidelijk is welke beheerseenheden ervoor in de plaats komen. Als dat de kleine honderd leerstoelgroepen moeten zijn, staat dat haaks op het beleid om het aantal vakgroepen terug te brengen. Gorter wijst op de zogenaamde matrixstructuur in Wageningen, die het onduidelijk maakt bij welk instituut een vakgroep hoort. Hij vindt dat de huidige sectorbureaus op een betrekkelijk heldere manier ondersteunende en coordinerende diensten verlenen aan zowel vakgroepen als instituten, maar erkent dat er niet een voor de hand liggende oplossing ligt".

Het college van bestuur zal een politieke keuze moeten maken tussen de twee varianten, stellen Theijse en Gorter. Op 29 februari, schrikkeldag, wordt een richtinggevende uitspraak verwacht.

Re:ageer