Wetenschap - 5 juni 1997

Cees Veerman, praktisch filosoof en veranderingsmanager

Cees Veerman, praktisch filosoof en veranderingsmanager

Cees Veerman, praktisch filosoof en veranderingsmanager
Met Cees Veerman krijgt het kenniscentrum Wageningen een praktisch ingestelde econoom met belangstelling voor filosofische en ethische vragen als voorzitter. Zijn grootste wapenfeit als manager is de ontwikkeling van de nieuwe afzetorganisatie The Greenery in de voedingstuinbouw. Veerman is denker en doener tegelijk
Er is behoefte aan maatschappelijke vernieuwing die gedragen wordt door visie en ontwikkeld door moedige leiders die de relevante vragen durven stellen, stelt Cees Veerman op 28 juni 1990 bij zijn installatie als hoogleraar Economie in de agrarische sector aan de Erasmus Universiteit. Hij sluit daarmee een pleidooi af met de strekking dat de Nederlandse boer en tuinder en de verwerkende industrie en handel samen moeten werken aan specialisatie en kwaliteitsverbetering. Hierdoor neemt de onderlinge afhankelijkheid van de schakels in de productieketen toe, stelt Veerman. Elke schakel moet de volgende afnemer als een klant beschouwen en streven naar optimale kwaliteit.
Spoedig daarna is Veerman de stuwende kracht achter de fusie van veertien groente- en fruitveilingen tot de nieuwe afzetorganisatie VTN, later omgedoopt tot The Greenery. Daarover stelt hij: Het karakter en de structuur van de markt zijn totaal veranderd. Zo gaat nog maar dertig tot veertig procent van de afzet niet naar grootwinkelbedrijven. En dat aandeel daalt nog steeds. Dat vereist natuurlijk een hele andere afzetstrategie. De bedrijfsstrategie is geweest: een standaardproduct tegen zo laag mogelijke kosten. Lage kosten zijn een randvoorwaarde, geen doel. Je doel moet zijn om de vermarkting te optimaliseren. De keten naar de consument verkorten; schakels er tussenuit, efficienter werken. Telers en vermarkters moeten co-makers zijn. Wat we nodig hebben is afstemming van de consumentwensen op de productiemogelijkheden, je gaat redeneren vanuit de klant. Het pure vakmanschap van de teler moeten we combineren met vernieuwing van de marketingsorganisatie. Dan heb je een ijzersterke formule.
Het ketendenken en de vraagsturing in de landbouw, die vorig jaar een nadrukkelijke plaats kregen in het advies van Bram Peper over de kennisinfrastructuur, zit er al vroeg in bij de cooperatie-econoom Veerman. Kernpunten zijn kwaliteit en marktmacht: We concentreren het aanbod en we onderhandelen met het grootwinkelbedrijf. We spreken prijzen af, maar wel als grote aanbieder, en met een totaal assortiment. Ga jij als retailer maar eens eenzelfde pakket op dezelfde voorwaarden met dezelfde kwaliteit en betrouwbaarheid elders inkopen. Dat lukt je niet.
Nu komt Veerman dus als collegevoorzitter naar Wageningen, waar het aanbod van agrarische kennis moet worden geconcentreerd en waar de producenten van kennis meer rekening moeten houden met de vraag van afnemer en consument. Zijn missie in Wageningen lijkt dus naadloos aan te sluiten op zijn visie op de voedingstuinbouw in Nederland
Veerman praat vanuit de praktijk, want hij heeft in Nieuw-Beijerland een eigen bedrijf van 140 hectare waar hij - met de noodzakelijke arbeidskracht - aardappels, suikerbieten, tarwe, gerst en veldbonen teelt. Ik ben nog een traditionele boer, zegt hij in 1990 tegen het Rotterdamse universiteitsblad Quod Novum. Maar de moderne boer van morgen is wel de traditionele boer van gisteren. Nu gaat het niet meer om de kwantiteit maar om de kwaliteit.
In wetenschappelijk opzicht heeft Veerman geen baanbrekende publicaties op zijn naam staan, maar zijn maatschappelijke invloed als agrarisch econoom is vrij groot. Zo schreef hij samen met Sicco Mansholt, Jan de Veer en Gert van Dijk het actieprogramma Tien over rood voor de landbouw. In tegenstelling tot de meeste economen is hij geen fervent aanhanger van de vrije markt. Veerman is voor evenwicht, laat hij weten tijdens een internationaal congres in 1992: eerst werd het ondernemerschap en de creativiteit van de boer gedood door toenemende overheidsinterventie; met de komst van Reagan en Thatcher zwaait de slinger door naar het andere extreem, het neo-liberalisme. Veerman haalt met instemming de Amerikaanse econoom John Kenneth Galbraith aan dat solidarity is a crucial element of humanity. Hij pleit in 1992 voor inkomenssteun in de landbouw, om de ontvolking van het Europese platteland tegen te gaan
Veerman is een praktisch filosoof, merkt een goede bekende van hem op. Hij is erg goed op de hoogte van de klassieke grondleggers in de economie, houdt zich sterk bezig met ethische en maatschappelijke vragen, is een beschouwend persoon. Van het staatssocialisme en het liberalisme pur sang moet hij niets hebben: dat zijn broer en zus in filosofische zin. Als christen-democraat houdt hij er andere waarden op na, maar van het in CDA-kringen geliefde corporatisme is hij evenmin een fan. Veerman heeft de bestaande landbouwinstituties, zoals het Landbouwschap, van harte bestreden, omdat ze zo log en arrogant waren
Zijn wetenschappelijke interesse ligt bij onderzoek met een maatschappelijke toepasbaarheid en bij grondleggend, verklarend disciplinair onderzoek. Met de rest heeft hij weinig consideratie. Zo heeft hij bijvoorbeeld weinig interesse voor modellen. Hij heeft een vlotte stijl en is een graag geziene gast in gezelschappen. Als manager kan hij hard en scherp zijn, merkt de zegsman op. Hij zal mensen zo lang mogelijk in hun waarde laten en proberen mensen bij elkaar te brengen, maar keuzes schuwt hij niet. In dit soort banen maak je vijanden, maar Veerman laat geen spoor van maagzweren na.

Re:ageer