Wetenschap - 16 februari 1995

Breed draagvlak maakt coalitievorming onvoorspelbaar

Breed draagvlak maakt coalitievorming onvoorspelbaar

De coalitievorming in de Wageningse gemeenteraad vorig jaar na de verkiezingen, verliep niet volgens de gangbare theorieen die sinds de jaren veertig zijn ontwikkeld. Dit werd veroorzaakt door de wens bij de fracties om tot een breed gedragen college van Burgemeester en Wethouders te komen.


Een breed draagvlak in de raad en onder de burgerij is nodig om ingrijpende plannen, zoals de vernieuwbouw van schouwburg Junushoff of het sterk terugdringen van het autoverkeer, uit te kunnen voeren zonder het sneuvelen van het college van B&W. Dit stelt Erik Schmieman in het colloquium over zijn afstudeerscriptie waarin hij de bestaande theorieen over coalitievorming toetste aan de praktijk van 1994. Tot nu toe werd het streven naar een minimale meerderheid met zomin mogelijk diversiteit of zetels, gebaseerd op gangbare politieke voorkeuren bij partijen, als verklarende variabele gehanteerd. Maar deze bleek niet meer van toepassing op de coalitievorming in Wageningen en in veel andere gemeenten.

Schmieman ging op zoek naar andere verklarende variabelen. Na gesprekken met vertegenwoordigers van drie fracties kwam hij tot de conclusie dat de brede coalitie wel als een verklarende hypothese kan gelden. Schmieman wijst er op dat fracties die deelnemen aan een brede coalitie zich vrijer bewegen; de meerderheid is zo groot dat bij af en toe niet instemmen met de koers van B&W of de eigen wethouder het college niet direct valt.

Schmieman heeft niet onderzocht in hoeverre de kwaliteit van kandidaatbestuurders meeweegt in de coalitievorming. Een aspect dat vorig jaar in Wageningen wel zwaar woog in de wandelgangen. Dit is moeilijk te kwantificeren, bovendien denkt hij dat kwaliteit uitmiddelt. Bij onderzoek onder alle fracties in de Nederlandse gemeenteraden zal elke partij naar verhouding evenveel goede bestuurders leveren, meent Schmieman.

Opvallend was dat de partijen in de Wageningse raad tijdens de onderhandelingen de verkiezingsuitslag steeds zwaarder lieten meewegen. Eerst werd nog onderhandeld op basis van de uitslag zoals die verwacht werd; PvdA verliest fors, D66 wint sterk, overige partijen blijven gelijk. Maar doordat de PvdA niet verloor en op zes zetels bleef, claimde deze partij toch twee wethouders, wat uiteindelijk anderhalf werd. In 1990 kreeg de PvdA twee wethouders, terwijl juist toen een verlies van twee zetels was geincasseerd.

Re:ageer