Wetenschap - 24 oktober 1996

Brainport of braindrain?

Brainport of braindrain?

Van Aartsen heeft een plan met Wageningen. Laten we de verpakking, bestaande uit de intussen zo vertrouwd ronkende slogans van brainport, wereldniveau, allure, core business, vraagsturing en maatwerk, even terzijde, dan houdt het plan vooral twee zaken in. Ten eerste integratie van LUW, DLO en enkele andere instellingen tot een kenniscentrum met zowel een onderwijs- als een onderzoekstaak; ten tweede een inhoudelijke afbakening in de vorm van zes onderzoeksthema's. Vergelijken we die thema's met de huidige missie van de LUW, dan valt met name een ding op: milieu is als profilerend thema verdwenen. Het milieu is slechts een aandachtspunt in geintegreerd landbouw- en voedingsonderzoek. Onverwacht komt dat, na de voorzetten van Peper en de NRLO, natuurlijk niet. De vraag die wij in dit stuk naar voren brengen, is of het ook verstandig is.

Dat er in het landbouw- en voedingsonderwijs en -onderzoek ruime aandacht moet zijn voor het thema milieu is evident. Dat is echter geen reden een goed leefmilieu als profilerend thema te schrappen; eerder het tegendeel. De redenen daarvoor liggen ook niet in de LUW-prestaties in milieuonderzoek en -onderwijs. De vakgroepen die het Wageningse milieuonderwijs en -onderzoek dragen hebben een internationale naam en leveren tezamen een onderzoeksinspanning op milieugebied die groter is dan die van enige andere Nederlandse universiteit. Het milieuonderwijs is qua omvang en opzet met afstand eerste, zoals recent weer bevestigd is in het visitatierapport.

De reden moeten we dan ook niet binnen de milieusector maar daarbuiten zoeken. Milieu wordt als missie prijsgegeven om iets anders te redden: de LUW als universiteit van het ministerie voor landbouw en groene ruimte (nu nog bekend als LNV). Maar in hoeverre lukt die reddingspoging? Een nuchtere blik leert ons dat Wageningen duidelijk de kleinste van de universiteiten is. Een belangrijk deel van de huidige studentenstroom zoekt Wageningen op vanwege studie- en beroepsperspectieven die buiten de zes thema's van Van Aartsen liggen. Ergo, wanneer Wageningen de core business zo versmalt, zal het nooit voldoende wervingskracht houden voor een toereikende instroom. Voorstellen voor combinatie van onderwijs met Utrecht of Nijmegen zullen de populariteit niet verhogen. Het eindplaatje, waarvan de contouren al vaag in de plannen te lezen zijn, is dan ook niet een gerevitaliseerde universiteit. Het is een agrarisch onderzoeksconsortium met daaraan verbonden een postgraduate opleiding voor een
beperkt aantal studenten en daarnaast wellicht een agrarische hogeschool en een serie cursussen en opleidingen van kortere duur.

Dat is jammer, maar het zou acceptabel zijn als de LUW in haar huidige vorm inhoudelijk en organisatorisch achterhaald was. Het pijnlijke is echter dat dit niet zo is. Juist door de verbreding van haar missie wist de LUW in het verleden een groeiende groep studenten te trekken; de meest recente cijfers laten opnieuw een relatieve groei zien. Belangrijker nog, de LUW heeft qua structuur van de opleidingen en qua houding van studenten een unieke plaats in het universitaire landschap. Typisch voor de Wageningse opleidingen is hun toegepast karakter met de nadruk op multidisciplinariteit. Dit karakter houdt verband met het feit dat Wageningen zich bezighoudt met de beheersing en optimalisering van levensprocessen. De daarvoor benodigde kennis laat zich niet opdelen volgens de disciplinaire scheidslijnen. Deze kwaliteiten van Wageningen worden (h)erkend in het werkveld waar men het verschil tussen Wageningse en andere universitaire afgestudeerden treffend kan typeren. Het voorbeeld van Maa
stricht laat zien dat de tijden niet ongunstig zijn voor een universiteit met een herkenbaar gezicht. Wageningen, als groene universiteit in de brede zin, heeft zo'n gezicht.

Juist omdat milieu een zo belangrijk thema is in relatie met een duurzame landbouw en voedselproductie en een duurzaam gebruik van de groene ruimte is er reden om het kennis- en opleidingszwaartepunt dat in Wageningen op het terrein van het milieubeheer is ontstaan, verder te versterken. Door de binnen de universiteit en binnen DLO-instituten aanwezige milieuexpertise te bundelen en de samenwerking met TNO en andere instituten op milieugebied te intensiveren ontstaat een departement (of instituut) dat in opleidingen en onderzoek, zowel nationaal als internationaal, een onmiskenbaar stevige marktpositie heeft.

In een beleidsklimaat waar schaalvergroting, competitie en markt de trefwoorden zijn, dient een instelling voortdurend voor te blijven op de wolven - of vermeende wolven - die in achtervolging zijn. Maar wie vaart wil houden, doet er niet verstandig aan deze wolven een van de paarden toe te werpen die de slee trekken. Er is binnen en buiten Nederland, zowel vanuit studenten als vanuit overheid en bedrijfsleven, vraag naar Wageningse kennis over landbouw en over milieu. Die moeten we blijven leveren.

Re:ageer