Wetenschap - 22 januari 1998

Boereninkomen

Boereninkomen

Boereninkomen
Het Landbouw-Economisch Instituut publiceerde onlangs een rapport over de gezinsinkomens in de landbouw vorig jaar. Dat zijn hele aardige bedragen: 110 duizend gulden in de glastuinbouw, 110 tot 125 duizend in de vleesvarkenssector, 100 duizend bij de leghennen. Alleen de melkveehouderij en de akkerbouw doen het met respectievelijk 57 duizend en 52 duizend gulden wat minder goed. Moet je gaan boeren als je rijk wilt worden?
Volgens die cijfers ging het vorig jaar inderdaad nog niet zo gek. Voor de varkenssector geldt dat de gebieden die zijn getroffen door de varkenspest niet zijn meegeteld. En de niet-getroffen gebieden doen het heel goed, want die hebben geprofiteerd van het kleinere aanbod van vleesvarkens. Bij de melkveehouderijen zie je een beetje herstel van inkomen
Er zijn verschillende invalshoeken om naar de bedrijfsgegevens te kijken. Wil een boer zijn bedrijf instandhouden, dan moeten de opbrengsten de kosten vergoeden. In de grondgebonden landbouw - bij de melkveehouders en de akkerbouw - schommelt de rendabiliteit rond de 85 procent: voor elke honderd gulden aan kosten krijg je 85 gulden aan opbrengsten. Dus daar is de situatie niet zo geweldig
De kosten waar de boer mee rekent zijn niet alleen de uitgaven voor productiemiddelen als veevoer en kunstmest, maar ook arbeid en een vergoeding voor het gebruik van eigen vermogen. Op papier berekent de boer de kosten van zijn arbeid op basis van het cao-loon voor een betaalde arbeidskracht. Dan kom je in de buurt van zestig- a zeventigduizend gulden - een melkveehouder maakt wat meer uren, een akkerbouwer wat minder. Dan heb je nog de arbeid van meewerkende gezinsleden; voor hen telt de boer ook arbeidskosten. Het werkelijk gezinsinkomen krijg je door het bijtellen van winst en verlies. Bij verlies is de werkelijke arbeidsopbrengst dus minder dan de berekende arbeidskosten; bij winst is het meer
De rendabiliteit in de land- en tuinbouw is vaak niet geweldig, maar het vermogen is vrij groot. Dat bestaat vooral uit grond, productierechten en bij veehouders ook gebouwen. Het vermogen van de boeren is de laatste decennia flink gestegen door de waardevermeerdering van grond. Maar een boer zegt: daar heb ik niet veel aan, want ik wil op die grond blijven boeren. En wil ik blijven voortbestaan, dan moet ik juist uitbreiden en dus dure grond en productierechten kopen. Alleen als de boer ermee ophoudt en geen bedrijfsopvolger heeft, dan kan hij zijn vermogen te gelde maken. Dus op dat moment kun je misschien rijk worden

Re:ageer