Wetenschap - 22 januari 1998

Boeren hadden altijd een moeizame relatie met de bodem

Boeren hadden altijd een moeizame relatie met de bodem

Boeren hadden altijd een moeizame relatie met de bodem
Milieuprof Reijnders beschrijft boerengeschiedenis
Milieuprof dr Lucas Reijnders verdiepte zich in de geschiedenis van het boerenbedrijf, om de boeren met wie hij bij de stichting Natuur en Milieu in aanraking komt beter te leren begrijpen. Hij schreef er een boek over, Het boerenbedrijf in de lage landen. Dat we hier op deze postzegel 's werelds derde exporteur van landbouwproducten zijn, is zonder de historie niet te begrijpen, aldus Reijnders in zijn lezing op donderdag 15 januari bij boekhandel Kniphorst
Lucas Reijnders, hoogleraar milieukunde aan de Universiteit van Amsterdam en medewerker bij Natuur en Milieu, maakt een verlegen indruk als hij plaats neemt achter de microfoon. De boekhandel zit vol; Reijnders verhaal over geschiedenis en toekomst van het boerenbedrijf trekt veel belangstelling. Eenmaal op dreef blijkt Reijnders een heldere en gedreven prater
In zijn boek schetst Reijnders hoe stedelingen in de loop van de tijd dachten over de boer, aan de hand van literatuur, kunst en gedichten. Het negatieve, denigrerende beeld van boeren dat bij de opkomst van de steden aan het eind van de Middeleeuwen bestaat, duurt in de Gouden Eeuw voort. De boer was dom, dom en nog eens dom. Pas in de negentiende eeuw slaat het beeld om en komt de boerenslimheid boven tafel.
Volgens Reijnders neemt dan de waardering voor de boer toe. Zelfs in socialistische kringen is de sympathie voor boeren groter dan voor landarbeiders. De stad wordt beschouwd als een open graf waar het vies is, terwijl het platteland bekend staat als het land waar het leven goed is. Dit positieve beeld hield echter in de twintigste eeuw geen stand. Het RIVM-rapport Zorgen voor morgen toont een kaart waar Brabant zwart is ingekleurd en het gebied rond Amsterdam wit is. Zwart staat voor vies en wit voor schoon.
Stadsbeer
Reijnders biedt een geschiedschrijving in vogelvlucht. Voor wie niet geinteresseerd is in het kleinste detail, maar graag een overzicht heeft van hoe het de boeren in de lage landen in grote lijnen is vergaan, is het een prettig leesbaar boek
Reijnders gaat 7.300 jaar terug in de tijd. Dan leven de eerste boeren in Nederland op de lossgronden in Zuid-Limburg. Volgens Reijnders is het vanaf het begin tobben met de landbouw omdat de boeren regelmatig niet goed omgaan met de natuurlijke hulpbronnen. Zo putte de intensieve brandcultuur in Limburg, waarbij bossen werden platgebrand, de loss uit. Boeren hebben altijd een moeizame relatie met de bodem gehad. En de opbrengsten bleven lange tijd mager. Het zaaien van een hand graan leverde in de periode 1100 tot 1200 slechts een gemiddelde oogst van twee tot vier handen graan op. In de twaalfde eeuw leden de mensen nog eens in de vijftien jaar honger omdat de oogst mislukt was.
Pas in de late Middeleeuwen breken er betere tijden aan, die Reijnders beschrijft als de eerste groene revolutie. De zuidelijke landen, de Belgen dus, ontdekken de werking van een intersievere bemesting. De afstand tot de stad was klein, waardoor contacten tussen boeren en stedelingen makkelijk waren. Stadsbeer - uitwerpselen en ander stadsafval - werd voor een goede prijs aan de boeren verkocht. Ook vormden de steden een prima afzetmarkt voor agrarische producten, waardoor de boeren een goed bestaan konden opbouwen
Veevoer
Ondanks de successen blijft de Nederlandse stedeling de boer als dom beschouwen. Dit in tegenstelling tot het buitenland. De hele wereld komt kijken naar de Vlaamse bouw, waar met behulp van mest en klaver hoge opbrengsten worden gehaald. Met name de Engelsen leren daar veel van en doen het uiteindelijk beter dan wij.
Voor de tweede groene revolutie, in het begin van de twintigste eeuw, was vooral de grote landbouwcrisis aan het eind van de vorige eeuw bepalend. In die tijd kwamen grote hoeveelheden goedkoop graan uit de Verenigde Staten en Rusland. Hierdoor kwamen de veel duurder producerende boeren in West-Europa in de problemen. Maar al snel zien de boeren het goedkope graan als uitdaging en gaan ze dieren houden. De veestapel groeit snel. Inmiddels wordt een oppervlak vijf keer zo groot als Nederland in het buitenland beteeld met gewassen voor Nederlands veevoer.
Het tweede deel van het boek handelt over voor menig lezer meer bekende kost. Reijnders schrijft over specialisatie, industrialisatie, overheidsbemoeienis en over hoe de boer in de afgelopen eeuw meer en meer op de stedeling is gaan lijken
Tot slot werpt Reijnders een blik in de 21ste eeuw. Ondanks bedreigingen van buitenaf verwacht hij dat de Nederlandse boer het wel zal redden, door zich te richten op kwaliteitsproducten en de landbouw ecologisch te moderniseren. Voortdurend is de landbouw gemoderniseerd en daar heeft eigenlijk nooit veel verzet tegen bestaan. Pas onlangs, toen Wien van den Brink het podium besteeg, was er even sprake van een sterke antimoderniseringstendens. Gelukkig hebben de BSE-crisis en de varkenspest dat verzet doorbroken.
Pas op de laatste bladzijden van zijn 189 pagina's tellende boek toont Reijnders zich de vertegenwoordiger van de natuur- en milieubeweging. Hij pleit voor een snel begin van de derde groene revolutie, waarin economie en natuurlijke hulpbronnen in evenwicht zijn. Er zal meer ruimte moeten zijn voor de inzet van hersens en minder nadruk op dierlijke productie. Het regenwater moet beter worden vastgehouden en de afzet moet gemiddeld dichter bij het boerenbedrijf worden gezocht. Zo'n derde revolutie kan niet vroeg genoeg beginnen.

Re:ageer