Wetenschap - 6 november 1997

Biotechnologie: onmisbare partner voor biologische landbouw

Biotechnologie: onmisbare partner voor biologische landbouw

Biotechnologie: onmisbare partner voor biologische landbouw
Biologische landbouwers op bezoek bij CPRO-DLO
Moet de biologische landbouw in zee gaan met de biotechnologen? CPRO-DLO, bolwerk der biotechnologen, denkt de biologische landbouw wel degelijk wat te bieden te hebben; critici twijfelen daaraan. Op 30 oktober gingen ze met elkaar in discussie, bij de laatste themabijeenkomst in een reeks die CPRO-DLO organiseerde naar aanleiding van de opening van zijn nieuwe gebouwencomplex
Flessen met biologische koffiemelk en rietsuiker staan op tafel en de koffie- en theepakken met EKO-keurmerk liggen duidelijk in het zicht bij de ontvangst in het Internationaal Agrarisch Centrum (IAC). Het DLO-Centrum voor Plantenveredelings- en Reproductieonderzoek (CPRO-DLO), een instituut dat veel investeert in moderne biotechnologie, treedt 30 oktober naar buiten met datgene wat het biologische telers denkt te kunnen bieden. Op de deelnemerslijst zijn namen te vinden van ecologische onderzoekers, mensen van zaadbedrijven en mensen uit de hoek van voorlichting en advisering over de biologische landbouw
Er bestaat nog geen heldere, eenduidige visie op biologische plantenveredeling, stelt CPRO-directeur dr Nic Hogenboom in zijn inleiding. CPRO-DLO wil de discussie over die visie voeden door te tonen wat er met moderne biotechnologie mogelijk is. Daarom zijn er presentaties over rasidentificatie met moderne biochemische technieken, over het verkrijgen van ziekteresistentie met behulp van genetische modificatie en over de voordelen van het gebruik van genetische merkers in de fruitboomveredeling. Verder is CPRO-DLO is ook bezig met klassieke veredeling van gewassen die de biologische landbouw goed kan toevoegen aan haar huidige gewassen. Het zijn gewassen die goed in een rotatiesysteem passen, zoals quinoa en aardpeer
Zeven CPRO-sprekers presenteren op de bijeenkomst hun onderzoek, maar de afsluitende forumdiscussie richt zich vooral op de stelling van dr Willem Stiekema: biotechnologie is een aantrekkelijke en onmisbare partner voor de biologische landbouw. Ik ben mij ervan bewust dat het Platform biologische landbouw zich uitgesproken heeft tegen genetische modificatie en dat ook volgens de richtlijnen van het EKO-keurmerk geen genetisch gemanipuleerde gewassen mogen worden geteeld, zegt Stiekema in zijn presentatie. Toch wil hij deze middag zijn onderzoek toelichten
Tumoren
Bij bijvoorbeeld nematoderesistenties werken onderzoekers met natuurlijke resistentiegenen, licht Stiekema toe. Via kruising en selectie zijn die nematoderesistentiegenen niet goed in moderne bietenrassen te krijgen. De overeenkomst tussen de wilde en de moderne biet is te klein en het gen is gekoppeld aan allerlei genen die de veredelaar niet wilt hebben, zoals een gen dat zorgt voor tumoren op bladeren. Via genetische modificatie is het wel gelukt bij bieten de resistentie over te brengen. Bij aardappelen zijn de CPRO-onderzoekers ook een eind op weg; ze hebben inmiddels resitentiegenen tegen de schimmel fytoftora gevonden in wilde verwanten van de aardappel
Tijdens de forumdiscussie reageert ir Edith Lammerts van Bueren van het Louis Bolk Instituut voor Natuurwetenschappelijk onderzoek op Stiekema's verhaal. Willem Stiekema hoopt dat de biotechnologie de biologische landbouw dienstbaar kan zijn. We zijn echter juist hard bezig om vrij te blijven van genetisch gemodificeerde organismen.
Als je biotechnologie uitsluit in de biologische landbouw, houdt de wereld niet op te bestaan, stelt Lammerts van Bueren. Ook met traditionele methodes is immers nog veel aan de rassen te verbeteren. Hybride rassen leveren nu ook een betere opbrengst, maar dat dankt je de koekoek, daar is ook veel meer onderzoek naar gedaan.
Waarna iemand in de zaal reageert met de opmerking dat Stiekema zich niet moet laten ontmoedigen door de afwijzingen uit de hoek van de biologische landbouw. Als gangbare boeren resistente rassen gaan gebruiken, wordt de fytoftora-druk op velden met biologisch geteelde aardappels ook kleiner. Daar hebben de biologische boeren dus wel degelijk baat bij, ook al gebruiken ze de genetisch gemodificeerde gewassen niet zelf
Bedrijfsvoering
Lammerts van Bueren ziet het gebruik van resistente rassen echter als een soort symptoombestrijding. Resistenties worden vroeg of laat toch doorbroken. Daarom moet je de hele bedrijfsvoering aanpassen. Ze vindt dat de moderne veredeling de aandacht te veel richt op het genoom van een plant. Gangbare landbouw vraagt om uniforme rassen die hetzelfde presteren onder allerlei verschillende milieuomstandigheden. Een milieuvriendelijke teelt daarentegen is juist niet milieuontwijkend; de interactie tussen het genotype, het milieu en de bedrijfsvoering is belangrijk.
Forumlid dr Pieter Vereijken, leider van het innovatieproject ecologische akkerbouw en groenteteelt bij het DLO-Instituut voor Agrobiologisch en Bodemvruchtbaarheidsonderzoek (AB-DLO), meent dat de biologische landbouw niet categorisch dingen moet afwijzen. Als je dicht bij de natuur wilt blijven kun je ook onderscheid maken tussen transgene rassen met of zonder soortvreemde genen. Resistentiegenen uit wilde rassen inbrengen in moderne rassen ziet Vereijken als een goede oplossing voor de biologische landbouw. Zeker als je biologische landbouw als voortrekker voor ecologisering ziet.
Forumlid ir Jan Velema, directeur van Vitalis Biologische Zaden, vindt het echter belangrijk dat de biologische landbouw aan haar principes vasthoudt. Daar dankt de biologische landbouw haar bestaansrecht aan. De DNA-fingerprint van een biologisch en een gangbaar worteltje kunnen hetzelfde zijn, toch zijn biologische worteltje lekkerder. Het verschil zit niet in het DNA.
Het afzweren van de gentechnologie vindt Velema voor de consument ook heel duidelijk. De ene keer wel gentechnologie gebruiken en de andere keer niet, dat is niet te verkopen aan de consument. Ook iemand uit de zaal vindt dat de biologische landbouw uit marketingoverwegingen genetisch gemodificeerde gewassen buiten de deur moet houden. Waarop dr Dick van Zaane, directeur onderzoek van het Kenniscentrum Wageningen, reageert met: ook als genetisch gemodificeerde organismen worden afgewezen kan biotechnologie toch een belangrijke partner zijn. Dergelijk onderzoek levert interessante kennis
Komend jaar gaat het Louis Bolk Instituut zich met subsidie van het ministerie van LNV verder verdiepen in de mogelijkheden van biotechnologische kennis voor de biologische landbouw, vertelt Lammerts van Bueren. CPRO-DLO is daar erg in geinteresseerd. Het ziet een markt voor onderzoek dat met de randvoorwaarden van de biologische telers rekening houdt

Re:ageer