Wetenschap - 1 januari 1970

Biodiversiteitsgeld gaat op aan economische ontwikkeling

Biodiversiteitsgeld gaat op aan economische ontwikkeling

Biodiversiteitsgeld gaat op aan economische ontwikkeling


Zuid-Amerikaanse natuurparken zijn zo lek als een mandje

Op de kaart ziet het er mooi uit: de vele natuurreservaten
die zijn ingesteld in Centraal- en Zuid-Amerika, of het nu
het Braziliaanse regenwoud betreft of de mangroven in
Ecuador. Maar schijn bedriegt. Zet een stap in het reservaat,
en je kan zo tegen een stroper of boskapper aanlopen of je
belandt in een goudmijn of cocaplantage. De onlangs
gepromoveerde dr Daan Vreugdenhil weet wat het probleem is:
te weinig parkwachters.

De rangers van de nationale parken Tortugero in Costa Rica en
Capiro-Calentura in Honduras hebben het er moeilijk mee: in
hun eentje kilometerslange stranden bewaken om de groene
schildpadden en hun eieren beschermen tegen stropers. Een
onbegonnen zaak. Ze kunnen gewoonweg niet overal op het
hetzelfde moment zijn. Zo worden er ieder jaar weer duizenden
groene schildpadden gedood. Een groot verlies omdat het hier
gaat om een bedreigde diersoort. Het vlees en de eieren
belanden uiteindelijk in de soep, een echte delicatesse.
Dat de stropers de parkwachters weten te ontlopen is niet
uitzonderlijk voor dit deel van de wereld. In Centraal- en
Zuid-Amerika zijn er talloze natuurparken waar te weinig
wordt gepatrouilleerd. Dr Daan Vreugdenhil, directeur van het
World Conservation Institute for Conservation and Environment
(WICE) in Washington DC, heeft in de afgelopen tien jaar in
diverse landen in deze regio meegeholpen met het opzetten van
Nationale Parken. Tijdens zijn trips zag hij wat voor grote
gebieden de parkwachters moeten zien te bewaken. ,,In Panama
bijvoorbeeld heeft elke ranger de supervisie over een gebied
van 20.000 hectare’’, vertelt de bioloog. Dat is ongeveer
vier keer zo groot als Nationaal Park De Hoge Veluwe. Zelfs
met een helikopter, de nieuwste Range Rover of de snelste
speedboot zullen de rangers niet in staat zijn de stroperij,
boskap en andere illegale activiteiten een halt toe te
roepen. Het gebied is gewoonweg te groot.

Corruptie
In Costa Rica is het beter geregeld. Hier zijn zo’n
driehonderd parkwachters actief, weet Vreugdenhil. Elke
ranger heeft zo’n 2,000 hectare te bewaken. Dit verloopt
goed, onder meer in het Nationale Park Poaz, gelegen op een
vulkaan. Maar Costa Rica vormt een uitzondering. In Nicaragua
is het bijvoorbeeld nog slechter gesteld dan in Panama. Hier
staan in totaal zo’n zeventig parkwachters paraat, die het
werk moeten verdelen over maar liefst 76 natuurparken, die in
totaal 18 procent van het landoppervlak beslaan. De
parkwachters zijn duidelijk met te weinig mensen om iets te
doen tegen de vele illegale nederzettingen in de kustgebieden
en de bossen in het binnenland. Bijzondere ecosystemen zoals
de vulkaan- en bamboebossen blijven niet ongedeerd.
Vreugdenhil vindt de situatie betreurenswaardig, ook omdat er
wel degelijk grote sommen geld beschikbaar zijn voor
natuurbescherming voor deze regio. Internationale
organisaties zoals de Wereldbank en de
ontwikkelingsorganisatie van de Verenigde Naties (UNDP)
besteden miljoenen dollars aan natuurbescherming, maar het
grote geld komt over het algemeen niet terecht bij de
parkdiensten. ,,En juist de parkdiensten voeren het meest
onmisbare onderdeel van de natuurbescherming uit. Zonder
reservaatbeheer kun je het wel vergeten dat de plaatselijke
bevolking duurzaam voordeel kan hebben van die reservaten,
want ze verdwijnen eenvoudig.’’
,,We praten niet over corruptie. Ik zie dat zelden. In de
natuurbeschermingssector komt dat opvallend weinig voor, mede
omdat de bedragen waarom het gaat te klein zijn om mee te
sjoemelen. Waar we het over hebben is het besteden van gelden
voor biodiversiteitbehoud aan vormen van algemene
ontwikkelingssamenwerking. Dat zijn landbouw, educatie,
kleinschalige ontwikkeling ten behoeve van de omwonende
bevolking. Dit is te vergelijken met het besteden van gelden
voor wegenbouw ten behoeve van de landbouw.’’

Wat is de oorzaak van deze ombuiging van geldstromen?
Vreugdenhil denkt het te weten: sociale wetenschappers voeren
de boventoon in management van natuurparken en krijgen steeds
vaker leidinggevende posities. Deze managers hebben vooral
oog voor het ontwikkelen van economische activiteiten voor de
mensen die in en rond het park wonen. Dat is een goed
streven, denkt Vreugdenhil, maar hierbij vergeten ze de
noodzaak tot uitbreiding van parkdiensten en andere
maatregelen die op directe wijze de natuur beschermen. Het
gevolg is dat naar schatting zo’n tachtig procent van alle
biodiversiteitsgelden naar projecten voor economische
ontwikkeling gaat.
Vreugdenhil lobbyt onder andere bij de Wereldbank en de World
Commission for Protected Areas om betere parkdiensten te
realiseren in Zuid- en Centraal-Amerika en ook in Afrika en
Azië. ,,In het verleden hebben wij onder andere een project
geformuleerd voor Honduras. Na veel soebatten mochten wij
slechts 35 procent van de fondsen besteden aan zaken voor de
parkdienst, zoals auto’s, parkwachtershuisjes en
parkwachters. De rest werd besteed aan zaken voor
belanghebbenden, cursussen, projectmanagement en dergelijke.
Als na aanzienlijke lobby slechts 35 procent wordt besteed
aan investering in reservaten, dan kan je wel begrijpen wat
er gebeurt als de projecten worden gerund door ‘socialere’
deskundigen.’’
Meer biologen in het parkbeheer, dat ziet Vreugdenhil graag
gebeuren. ,,Ik zie sociologen en economen nog geen
reservaatsystemen samenstellen, monitoringsprogramma’s
opstellen en biologisch verantwoorde zonerings- en
beheersplannen opstellen. Ik zie ze nog minder constateren
dat er iets ecologisch niet goed gaat in een gebied.’’
Landen als Nicaragua en Panama kunnen een voorbeeld nemen aan
een aantal Westerse landen, vindt Vreugdenhil. ,,De landen in
de wereld met succesvolle nationale parken - de Verenigde
Staten, Canada, Zuid-Afrika, Australië en Nieuw-Zeeland -
hebben alle een goed georganiseerde nationale parkdienst.’’
Men moet wel uitkijken met het draaien van individuele parken
door maatschappelijke organisaties, een trend van de laatste
tijd, zegt Vreugdenhil. ,,Nederland is daar een typisch
voorbeeld van. Kijk eens naar de Hoge Veluwe. Het is een
ramp. Meters hoge hekken, allemaal stichtingen met hun eigen
belangetjes. In iedere provincie een provinciale
natuurbeheerstichting, Natuurmonumenten en Staatsbosbeheer.
Echt geen juweeltje om eens over te dragen naar een
ontwikkelingsland.’’
Hugo Bouter

Fotobijschriften:
Dr. Daan Vreugdenhil ziet graag meer biologen in het
parkbeheer: ,, Ik zie sociologen en economen nog geen
reservaatsystemen samenstellen.’’ | Foto Gijs W. Vreugdenhil

Een Groene soepschildpad op het strand van Tortuguero in
Costa Rica. In dit land worden de natuurgebieden relatief
goed bewaakt, maar in veel landen zijn er gewoon te weinig
parkwachters om het stropers echt moeilijk te maken. | Foto
Caribbean Conservation Corporation

Re:ageer