Wetenschap - 9 maart 1995

Bezuiniging en glanzend perspectief (2)

Bezuiniging en glanzend perspectief (2)

Het zal sommigen niet geheel onbekend zijn, dat ik al wat langer van mening ben dat onze administratieve overhead een onevenredig groot deel van het budget opslokt. Vooral de laatste tijd merk ik dat ik in die mening bepaald niet alleen sta. De nu voorgestelde bezuiniging op het bureau beslaat ongeveer 11.4 % van het bezuinigingsbedrag; die op de sectorbureau's en de sectorale diensten nog eens 8.2%, tezamen dus bijna 20%. Dat lijkt een stap in de goede richting. De vraag is, of het dat ook werkelijk is.

Bij de beantwoording van die vraag kan een ingezonden stuk in NRC-Handelsblad van 22 december 1994 van de heer W. Kardux, secretaris van de RUU, voor LUW-bestuurders leerzaam zijn. Er wordt in vermeld, dat de RUU van zijn jaaromzet van 780 miljoen 3.8% (dus een kleine 30 miljoen), personele en materiele middelen samen, besteedt aan zijn bureau. Dat bureau is anders samengesteld dan in Wageningen, omdat in Utrecht een groter deel van de diensten facilitair werkt. Dat facilitaire deel omvat nog eens 3.9% van het totale personeel van de universiteit. Bij de LUW besteden we van de jaaromzet van ca. 300 miljoen 50 miljoen aan het centrale bureau, d.w.z. zo'n 16-17% (financieel jaarverslag LUW 1993). Dat is exclusief de kosten van (nu) 35 fte's bureaupersoneel in de derde-geldstroom begroting. De RUU heeft i.t.t. de LUW faculteitsbureaus. De omvang daarvan lijkt redelijk overeen te komen met die van het bestuurlijk-administratieve deel van onze sectorbureau's. De RUU lijkt dus voor
al in zijn centrale organisatie aanzienlijk efficienter georganiseerd dan de LUW.

De Utrechtse structuur is aan het eind van de jaren 1980 tot stand gekomen na een efficiency-onderzoek van de algehele organisatie door een bekend en door slechte managers gevreesd adviesbureau. Dat onderzoek kwam tot stand ondanks verzet van de top van het toenmalige RUU-bureau. De conclusie was, dat de centrale organisatie toekon met de helft of minder van wat tot dan toe gebruikelijk was. De aanbevelingen van het rapport zijn opgevolgd.

Men heeft toen overigens de elegante oplossing gevonden, het betrokken bureaupersoneel niet op straat te zetten, maar over de faculteiten te verdelen. Die konden dan bij vertrek de plaats doen vervullen door een wetenschapper of OBP-er. Het laatste is in overwegende mate gebeurd. Ik zie onze bestuurders, die zich af en toe nogal nadrukkelijk plegen te identificeren met het LUW-bureau, helaas nog niet de durf opbrengen, dit hun destijdse Utrechtse collega's na te doen.

Op grond van de vergelijking met de RUU geloof ik (met het WUB) niet dat bij de sectoren veel bestuurlijk-administratieve banen zullen (kunnen) verdwijnen. De bezuiniging van 2 miljoen zal dus inderdaad haar zwaartepunt bij de technische onderdelen krijgen, wil ze gerealiseerd kunnen worden. Of ze nodig is, is iets anders. Ik geloof dat onze bestuurders er goed aan zouden doen, zich te spiegelen aan zusterinstellingen, in het bijzonder de RUU, en lering te trekken uit de wijze waarop men daar de zaken heeft opgelost. Hoe het ook zij, de bezuiniging op bestuur en beheer is met ruim 11% van het totale bedrag beneden-proportioneel in vergelijking tot de in het WUB van 16 februari geciteerde besteding aan administratieve overhead van 17%. Daar doet een bezuiniging bij de sectoren op facilitaire taken met een overwegend facultair karakter en doel weinig aan toe of af.

Dat onze bestuurders en hun ambtelijke dienaren, die regelmatig met ideeen als hier aangegeven worden geconfronteerd, daarop in toenemende mate geirriteerd reageren, heeft mijns inziens weinig of niets te maken met de onjuistheid van die ideeen, maar alles met eigen onwil en/of onvermogen, duidelijk te maken, waarom we in Wageningen een wanstaltig grote overhead van 17% nodig hebben, terwijl elders voor de helft van het geld de organisatie gemiddeld niet slechter loopt dan hier.

Tenslotte een opmerking over het realiteitsgehalte van de voorgenomen wijze van bezuinigen. Het totaal aan tweehonderd weg te bezuinigen arbeidsplaatsen moet uiteindelijk zo'n 16 miljoen gulden opleveren. De middelsom van 1 arbeidsplaats zal momenteel iets beneden een ton liggen (vergelijk de tarieven voor aanstellingen t.l.v. vakgroepfondsen, dus zonder overhead-heffing). De bezuiniging gaat blijkbaar uit van f 80.000 per plaats. Dat ligt in dezelfde orde van grootte. Ik kan mij daarom niet aan de indruk onttrekken, dat bij het inschatten van het bedrag nogal luchthartig is omgegaan met de problematiek van wachtgelden. Ook hier kon het perspectief wel eens somberder zijn dan het CvB ons voorspiegelt.

Re:ageer