Wetenschap - 9 maart 1995

Bezuiniging en glanzend perspectief (1)

Bezuiniging en glanzend perspectief (1)

Een week of twee geleden was het dan eindelijk zover: na de nog niet beklonken uitkomst van de leerstoelendans werden we door het College van Bestuur per brief op de hoogte gesteld van de hoofdlijnen van het Masterplan, waarin oude en nieuwe bezuinigingen worden samengevoegd.

Bij mij wekt het stuk, met de informatie die is verwerkt in het voorpagina-artikel van het WUB van 16 februari, de indruk van een verzameling realistische tot stokpaard-achtige en weinig productieve voornemens.

Voor alle duidelijkheid: dat aan vermindering van uitgaven niet valt te ontkomen, besef ik maar al te goed. Gezien de cijfers in de financiele jaarverslagen had de LUW zelfs al in 1992, toen in 1 jaar tijd de liquide middelen met 18.4 en het netto-werkkapitaal met 6.4 miljoen terugliepen, de tering naar de nering moeten zetten.

Realistisch lijkt de bezuiniging van 7 miljoen op investeringen en apparatuur, al draagt zo'n bezuiniging natuurlijk niet direct bij aan kwaliteitsverbetering van onderwijs en onderzoek. De bezuiniging op de bibliotheek lijkt met 5-6% relatief mild en in 5 jaar tijd vermoedelijk wel realiseerbaar. De bezuiniging op de centrale beheersruimte o. en o. van uiteindelijk 1.8 miljoen en die op personeelsbeleid (0.5 miljoen) lijkt zonder overmatige schade realiseerbaar. Met het onderhoud aan gebouwen wordt het problematischer: de bezuiniging ligt rond of wellicht zelfs boven de 10%, terwijl deze post per traditie al aan de lage kant is. Resteren v.w.b. de faculteit onderwijs en onderzoek.

In het onderwijs moeten onderwijselementen met weinig studenten eraan geloven ten faveure van meer massale elementen. Dat dit de kwaliteit van het onderwijs verbetert, wil er bij mij niet in. Een grote besparing kan het evenmin opleveren. Sinds de invoering van het huidige capaciteitsmodel worden vakgroepen per geexamineerde student afgerekend. Daardoor leveren kleinere elementen vakgroepen weinig op; het effect van feitelijke afschaffing is navenant.

Kleine onderwijselementen dragen daarentegen vaak bij aan diepgang. Studenten zullen ongetwijfeld hun studiepunten via andere, meer massale vakken binnenhalen. Zo worden vakkenpakketten er kwalitatief niet beter op en is de bereikte besparing discutabel. Daarmee zijn noch de aantrekkelijkheid van de LUW voor potentiele studenten noch de verbetering van het onderwijs gediend. Het laatste is in strijd met de afspraken die landelijk tussen VSNU en studenten zijn gemaakt.

Een vakgroep die kleine elementen teveel tijd vindt kosten, schaft ze trouwens zelf af of is creatief genoeg om de tijdsbelasting te beperken. Bij de vakgroep waar ik werk, worden bv. enkele kleine elementen aangeboden als zelfstudiepakket. De maatregel lijkt dus nauwelijks geld op te leveren, voor de kwaliteit van het onderwijs voornamelijk negatief uit te pakken en voor het overige in hoofdzaak van invloed te zijn op de dikte van de studiegids.

Fusie van studierichtingen is een bekende hobby van het huidige college. Nu daarvoor binnen de LUW maar een gering draagvlak bestaat, probeert blijkbaar het CvB zijn geesteskind via de achterdeur van de onderwijsinstituten binnen te halen. De voorzitter van de VCO heeft over de hardnekkigheid, waarmee het CvB dit stokpaard blijft berijden, in het WUB van 2 februari jl. al terecht de staf gebroken. Op de overhead zal in werkelijkheid niet worden bespaard.

Een nieuwe laag vrijgestelde bestuurders met aan het hoofd een veranderingsmanager (bij DLO is dat een functie voor bij fusies van instituten overtollig geworden directeuren; in hun nieuwe functie blijken ze voornamelijk anderen van het werk te houden) zal door de vergrote afstand tot het onderwijs daar een geringere affiniteit mee hebben dan de huidige ROC's. Een geringere affiniteit pleegt samen te gaan met een zwaardere administratieve bezetting. Resultaat: geen besparing, wel een ingewikkelder structuur en een bijdrage aan de bureaucratisering van de LUW.

Een kleiner aanbod aan studiemogelijkheden, ook al is het slechts optisch, geeft naar buiten gemakkelijk de indruk van beperkte keuzemogelijkheden. De UvA adverteerde onlangs met 70 studierichtingen. Dan is het aantal van 19 bij de LUW toch zeker niet overtrokken. Dat de LUW het bij de werving van nieuwe eerstejaars relatief uitstekend doet, zou met het ruime aanbod aan mogelijkheden -dat dank zij de recente voorlichtingsinspanning van studenten, vakgroepen en sectoren wat meer bekendheid in den lande lijkt te krijgen- wel eens heel veel te maken kunnen hebben.

Het vormen van mega-vakgroepen is een al wat oudere hobby van het CvB. Het idee dook bij mijn weten voor het eerst op in 1986/87 bij de bezuinigingsoperatie SKG (voor de jongeren onder ons: Selectieve Krimp en Groei, met de nadruk op krimp), werd toen afgeschoten en stak af en toe weer de kop op met eenzelfde resultaat. Ook in dit verband zal bestuurlijke zelfbevrediging (Speelman in het WUB van 2 februari jl.) de voornaamste drijfveer zijn. Dit wordt feitelijk bevestigd in het WUB van 16 februari: het CvB weet niet of deze constructie uiteindelijk wel geld oplevert. Als het CvB een bestuurslaag kwijt wil -waar wel veel voor te zeggen valt- lijkt het integreren van de facultaire structuur (clusters) met de beheersstructuur (sectoren) een doelmatiger en overzichtelijker optie. Wat het CvB nu voorstelt, lost het probleem niet op. Het vormen van mega-vakgroepen met secties leidt tot een andere naam voor de-facto clusters en de-facto vakgroepen; de eerste in nog toegenomen aantal.

Het invoeren van onderwijsinstituten maakt daarbij de organisatiestructuur alleen maar nog ingewikkelder. In een eind 1993 in het WUB verschenen artikel (Onderwijsinstituten: een vloek of een zegen? ) heeft Helmond gewezen op het met segregatie van onderwijs en onderzoek gepaard gaande risico van uiteindelijke samenvoeging van het onderzoeksdeel van de LUW met DLO en van fusie van het onderwijsdeel met het HBO. Daarmee zou de LUW als universiteit feitelijk zijn verdwenen. Het afschaffen van de onderzoeksopslag van 20% op de onderwijsbelasting van vakgroepen past in deze tendens. Overigens gaat het in feite om een bezuiniging op onderwijs: vakgroepen met veel reguliere onderwijstaken leveren het meeste in. Hiermee en met de instelling van onderwijsinstituten wordt zo het uitgangspunt dat academisch onderwijs moet worden gevoed door onderzoek verlaten. We zullen dan wellicht in het onderwijs een ontwikkeling zien in de richting van een niet al te best soort HBO, waarin afgedankt
e onderzoekers eventueel nog een paar jaar les mogen geven.

Nu de universiteiten tegenover de studenten -min of meer in ruil voor de collegegeldverhoging- een inspanningsverplichting tot onderwijsverbetering op zich hebben genomen, lijkt het voorstel ongerijmd. De gesuggereerde wijze van toedeling van de schamele rest van de onderzoeksopslag via het VF-circuit lijkt weinig raadzaam. Het betekent een of meer ronden besluitvorming waarbij een aantal mensjaren verloren gaat aan het schrijven en beoordelen van aanvragen en geen enkele productieve werkdag wordt gewonnen. Toedeling in de vorm van een vast bedrag per leerstoel lijkt een zinniger manier. Alleen gaat het bij 3,6 miljoen en 90 leerstoelen niet om 4 ton per leerstoel (WUB van 23 februari en 2 maart), maar om 40.000 gulden; een niet onbelangrijk rekenfoutje.

Natuurlijk krijgen we -als de optimisten gelijk krijgen- nog 8 miljoen voor onderwijsverbetering. Met de door het CvB voorgestelde bezuinigingsbedragen en -vormen is de m.i. meest waarschijnlijke mogelijkheid dat de ontstane gaten redelijk kunnen worden gedicht, de organisatiestructuur van de LU nog ingewikkelder zal zijn geworden, slechts de centrale bestuursorganisatie wat ontlast zal zijn en de aan de studenten beloofde onderwijsverbetering voornamelijk met de mond en de tekstverwerker zal worden beleden. De perspectieven lijken me dan ook aanzienlijk somberder dan ons bestuur ons wil doen geloven.

Re:ageer